ECLI:NL:RBDHA:2023:17488

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 september 2023
Publicatiedatum
16 november 2023
Zaaknummer
AWB 23/4779
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Vreemdelingenwet 2000Art. 4:17, zesde lid, Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet betaalde leges bij aanvraag verblijfsvergunning langdurig ingezetene

Eiser heeft op 18 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene derdelander, maar de vereiste leges zijn niet voldaan. Verweerder heeft daarom de aanvraag buiten behandeling gesteld op 4 maart 2022. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde verweerder in gebreke wegens niet tijdig beslissen. Bij besluit van 18 april 2023 verklaarde verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank overwoog dat uit het dossier blijkt dat alleen de leges voor een eerdere aanvraag van 21 december 2021 voor verblijf als familie- of gezinslid zijn betaald, maar niet de leges voor de aanvraag van 18 januari 2022. Volgens artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is betaling van leges vereist om een aanvraag in behandeling te nemen. Omdat eiser de leges niet heeft voldaan, was het buiten behandeling stellen van de aanvraag terecht en het bezwaar terecht kennelijk ongegrond.

Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder eiser niet hoefde te horen tijdens de bezwaarprocedure, omdat vaststond dat de leges niet betaald waren, en dat er geen dwangsom verschuldigd was voor het niet tijdig beslissen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser is ongegrond verklaard omdat de leges niet zijn betaald en de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/4779
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 19 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1966, van Marokkaanse nationaliteit, eiser,
V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. A.J. El Kadi),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Epema).

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 18 januari 2022 voor een verblijfsvergunning voor een ‘langdurig ingezetenen derdelander’ buiten behandeling gesteld, omdat de leges niet zijn betaald.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Eiser heeft verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.
Bij besluit van 18 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2023. Eiser is – zonder voorafgaand bericht – niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten in deze zaak
1. Eiser heeft op 21 december 2021 een aanvraag gedaan voor verblijf als familie- of gezinslid bij [A] (code 340). De legeskosten hiervan bedragen € 192,-. Op 18 januari 2022 is eiser met zijn gemachtigde aan het IND loket verschenen, waarbij hij een nieuwe aanvraag heeft ingediend voor toetsing naar EU recht als langdurig ingezetenen derdelander en echtgenoot of partner van een EU onderdaan (code 320). De legeskosten hiervan bedragen € 207,-. Op 18 januari 2022 heeft eiser aan het loket de legeskosten voor de eerste aanvraag voor verblijf bij verblijf als familie- of gezinslid bij [A] (code 340) ter hoogte van
€ 192,- betaald. Hiervan bevindt zich een kassabon in het dossier. Deze aanvraag is op 22 februari 2022 afgewezen. Bij besluit van 7 december 2022 is het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en is aan eiser verblijfsrecht gegeven met als doel ‘verblijf als familie- en gezinslid bij [A] ’.
2. Op 2 februari 2022 heeft verweerder aan eiser een brief gestuurd waarin eiser wordt medegedeeld dat de legeskosten voor toetsing naar EU recht als langdurig ingezetenen derdelander en echtgenoot of partner van een EU onderdaan (code 320) nog moet worden betaald, binnen een termijn van twee weken. Op 4 maart 2022 heeft verweerder de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat de legeskosten van deze aanvraag niet zijn voldaan.
3. Eiser voert aan dat de legeskosten zijn betaald. Daarnaast is hij ten onrechte niet gehoord in de bezwaarfase, wat in strijd is met Werkinstructie 2022/20. Verder is verweerder een dwangsom verschuldigd voor het niet tijdig nemen van het bestreden besluit.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser de legeskosten niet heeft betaald. Het bezwaar is daarom kennelijk ongegrond. Verweerder heeft eiser niet hoeven horen, omdat vast staat dat eiser de legeskosten niet heeft betaald. Dit is in lijn met de Werkinstructie 2022/20. Daarnaast hoeft bij een kennelijk ongegrond bezwaar geen dwangsom betaald te worden, volgens artikel 4:17, zesde lid, van de Awb.
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) bepaalt dat de vreemdeling leges verschuldigd is voor de afdoening van de aanvraag. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.
6. Uit de stukken blijkt niet dat eiser de vereiste legeskosten heeft betaald. Enkel de legeskosten voor de aanvraag van 21 december 2021 voor verblijf bij verblijf als familie- of gezinslid bij [A] , ter hoogte van € 192,- zijn betaald (code 340). Omdat eiser de vereiste legeskosten niet heeft betaald, heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht buiten behandeling gesteld en is het bezwaar van eiser terecht kennelijk ongegrond verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet heeft hoeven horen in bezwaar. Het is duidelijk dat hij zijn leges niet heeft betaald en een hoorzitting had dit niet anders gemaakt. Dit is in lijn met de Werkinstructie 2022/20. Ook volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat er geen dwangsom betaald hoeft te worden, volgens artikel 4:17, zesde lid, van de Awb.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.W.M. Engels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.