ECLI:NL:RBDHA:2023:17673
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding kinderen na internationale kinderontvoering vanuit Nederland naar Turkije
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot onmiddellijke teruggeleiding van zijn kinderen vanuit Nederland naar Turkije, op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De moeder heeft in Turkije voorlopig eenhoofdig gezag over de kinderen gekregen en is met hen naar Nederland vertrokken. De vader stelde dat de moeder niet zonder zijn toestemming de hoofdverblijfplaats van de kinderen mocht wijzigen en dat er sprake was van ongeoorloofde overbrenging.
De rechtbank oordeelde dat de moeder met het voorlopige gezag volledig bevoegd was om zelfstandig te beslissen over de verblijfplaats van de kinderen, zonder toestemming van de vader. Er was geen aanwijzing dat het Turkse gezagsrecht de moeder beperkte in haar bevoegdheden. De moeder handelde derhalve niet in strijd met het gezagsrecht van de vader en de overbrenging was niet ongeoorloofd in de zin van het Verdrag.
Het verzoek tot teruggeleiding werd daarom afgewezen. Ook het verzoek om de moeder te veroordelen tot vergoeding van kosten voor teruggeleiding werd afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd. De rechtbank benoemde een bijzondere curator voor de minderjarige kinderen en bepaalde dat diens werkzaamheden na afloop van de procedure worden beëindigd, tenzij er hoger beroep wordt ingesteld.
Uitkomst: Het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de kinderen naar Turkije wordt afgewezen omdat de moeder voorlopig eenhoofdig gezag heeft en de overbrenging niet ongeoorloofd is.