ECLI:NL:RBDHA:2023:17713

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 oktober 2023
Publicatiedatum
20 november 2023
Zaaknummer
NL23.30181
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Paragraaf B8/3 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bewaring vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

Eiseres, een Braziliaanse vrouw, is in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Zij betwist de rechtmatigheid van deze bewaring en stelt dat zij slachtoffer is van seksueel geweld en daarom recht heeft op (voorlopig) verblijf in Nederland. De rechtbank oordeelt dat hoewel het geweld afschuwelijk is, dit geen recht geeft op verblijf, omdat de aangifte niet betreft mensenhandel en dus niet onder het B8-beleid valt.

Verweerder heeft de bewaring gemotiveerd met het risico dat eiseres zich aan het toezicht onttrekt, mede omdat zij eerder heeft aangegeven niet terug te willen keren naar Brazilië en niet staat ingeschreven op een vaste woon- of verblijfplaats. Eiseres betwist dit, maar de rechtbank volgt verweerder op basis van jurisprudentie.

De rechtbank overweegt verder dat een lichter middel onvoldoende garantie biedt dat eiseres daadwerkelijk zal terugkeren en dat de medische en psychische zorg in het detentiecentrum adequaat is. Ook is de voortvarendheid van verweerder bij de uitzetting voldoende gebleken. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.30181
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Dorgelo), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Faddach).

Inleiding

Op 21 september 2023 heeft verweerder eiseres in vreemdelingenbewaring (hierna: bewaring) gesteld, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2023 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M.D.F. Monteiro de Rosanio. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om partijen de gelegenheid te geven om stukken toe te voegen aan het dossier en daarop over en weer te reageren. De gemachtigde van eiseres heeft de aangifte toegevoegd aan het dossier. Verweerder heeft daarop gereageerd. In de reactie heeft verweerder ook uitgelegd waarom er geen vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Verweerder had zijn reactie in beginsel uiterlijk op 4 oktober 2023 om
12
uur moeten uploaden. Verweerder heeft tijdig (telefonisch) gevraagd om uitstel, en de rechtbank heeft dit toegewezen. De rechtbank neemt de reactie van verweerder dus mee. Omdat verweerder te laat was met het uploaden van zijn reactie, heeft de rechtbank in overleg met de gemachtigde van eiseres aan haar een langere termijn gegund om daar weer op te reageren. De gemachtigde van eiseres heeft niet binnen de verlengde termijn gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten. De gemachtigde van eiseres heeft daarna alsnog een reactie geüpload. Omdat de verlengde termijn was vastgesteld in overleg met de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde niet om verder uitstel heeft gevraagd en het onderzoek inmiddels was gesloten, betrekt de rechtbank deze reactie niet bij de uitspraak.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiseres rechtmatig is.

Overwegingen

1. Eiseres heeft de Braziliaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992.
(Voorlopig) rechtmatig verblijf in Nederland
2. Eiseres brengt naar voren dat zij drie maanden geleden slachtoffer is geworden van seksueel geweld. Zij heeft hiervan aangifte gedaan en de politie doet onderzoek. Zij heeft daarom het recht om (voorlopig) in Nederland te blijven, ook omdat zij hulp en bescherming nodig heeft. Verweerder mocht haar daarom niet in bewaring stellen.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Dat eiseres het slachtoffer is geworden van seksueel geweld is uiteraard afschuwelijk en de rechtbank kan begrip opbrengen voor de gevoelens van eiseres. Maar deze omstandigheden geven haar niet het recht om in Nederland te blijven. Als er aanwijzingen zijn van mensenhandel kan verweerder op grond van paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bedenktijd verlenen. De vreemdeling heeft dan gedurende die bedenktijd rechtmatig verblijf. Als de vreemdeling aangifte heeft gedaan van mensenhandel, dan wordt dit ambtshalve aangemerkt als een aanvraag voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Ook dan mag de vreemdeling dus (voorlopig) in Nederland blijven. De aangifte van eiseres betreft echter geen mensenhandel, maar is een aangifte tegen een ander strafbaar feit. Verweerder heeft er op kunnen wijzen dat dit niet onder de reikwijdte van het B8-beleid valt en hoefde in de situatie van eiseres daarom geen aanleiding te zien om de bewaring op te heffen en (voorlopig) verblijf in Nederland toe te staan. Verweerder heeft verder terecht opgemerkt dat eiseres zich eventueel nog kan wenden tot de regievoerder om een aanvraag voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.
De gronden van de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder moet dit motiveren aan de hand van de gronden in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
5. Eiseres heeft de grond onder 4c betwist. Zij voert aan dat zij wel een vaste woon- of verblijfplaats heeft, omdat zij in de opvang voor daklozen verblijft en daarvan ook een adres heeft opgegeven. De rechtbank oordeelt dat dit betoog niet slaagt. Eiseres staat niet op dit adres ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP). Uit vaste jurisprudentie volgt dat dit adres daarom niet kan worden aangemerkt als een vaste woon- of verblijfplaats. Ook de overige gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist en voldoende
gemotiveerd. Er zijn daarom voldoende gronden om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Het lichter middel
6. Eiseres voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Zij verblijft in de opvang voor daklozen en heeft daarvan ook een adres opgegeven. Er zijn ook geen aanwijzingen dat zij zich niet aan een meldplicht zou houden. Verder heeft zij zeer grote stress, kan zij niet slapen, niet naar wc, niet eten en heeft ze pijn aan haar knie. Er is geen adequate medische en psychische zorg voor haar in het detentiecentrum.
7. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de gronden van de maatregel van bewaring volgt dat er een risico is dat eiseres zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Daarbij komt dat eiseres eerder MOB is gemeld is en heeft aangegeven dat ze niet wil terugkeren naar Brazilië. Een eventueel lichter middel en/of een verblijfplaats in de opvang voor daklozen bieden ook daarom onvoldoende garantie dat eiseres daadwerkelijk naar Brazilië zal terugkeren. Verweerder hoefde ook in de medische en psychische omstandigheden van eiseres geen aanleiding te zien om een lichter middel op te leggen. Verweerder heeft terecht overwogen dat de gezondheidszorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Er is in het detentiecentrum ook gespecialiseerde zorg voor mensen met psychische problemen. Als de zorg onvoldoende blijkt te zijn, kan eiseres worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de zorg in het detentiecentrum voor haar ontoereikend is. De enkele stelling dat dit zo is, is onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
De voortvarendheid
8. De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve enkele vragen aan verweerder gesteld in het kader van de voortvarendheid. De rechtbank heeft verweerder gevraagd om het vertrekgesprek dat op 2 oktober 2023 zou hebben plaatsgevonden toe te voegen aan het dossier, en heeft ook gevraagd om toe te lichten waarom niet eerder een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft vervolgens zijn nadere reactie van 4 oktober 2023 ingediend.
9. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiseres naar Brazilië. Op 26 september 2023 is een vlucht aangevraagd. Op 28 september 2023 zijn de vluchtgegevens bekend geworden, en is ook een vertrekgesprek gepland voor 2 oktober 2023. Verweerder heeft toegelicht dat dit vertrekgesprek niet heeft plaatsgevonden, omdat de regievoerder van de medische dienst het advies heeft gekregen om eiseres niet te spreken in verband met het brengen van slecht nieuws (de uitzettingsdatum), onder meer vanwege suïciderisico. Omdat eiseres een paspoort heeft, heeft de regievoerder het zo snel mogelijk boeken van een vlucht als prioriteit gezien. De rechtbank acht deze toelichting voldoende.
Conclusie
10. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.1 Op grond
1. ECLI:EU:C:2022:858.
van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 oktober 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.