Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Het verdere verloop van de procedure
- de moeder (via een telefonische verbinding);
- de advocaat van de moeder;
- een tolk in de Spaanse taal, ter ondersteuning van de moeder;
Rechtbank Den Haag
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om voorlopige voogdij over twee minderjarige kinderen, met subsidiaire verzoeken tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Dit vanwege ernstige zorgen over de situatie van de kinderen die sinds hun terugkeer uit het buitenland zonder toezicht in een sterk vervuilde woning verbleven, niet naar school gingen en medische zorg nodig hadden.
De moeder verbleef vanwege ziekte in het buitenland en kon niet terugkeren, waardoor de kinderen zonder direct toezicht waren. Hoewel er incidenteel contact was vanuit het netwerk van de moeder, was er geen feitelijk zicht op de kinderen. De moeder erkende de situatie maar vond dat de kinderen oud genoeg waren om voor zichzelf te zorgen.
De kinderrechter oordeelde dat de moeder het gezag feitelijk uitoefent en wees het verzoek om voorlopige voogdij af. Tegelijkertijd werd vastgesteld dat er een ernstig vermoeden bestond voor ondertoezichtstelling en dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk was om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. De kinderen werden daarom voorlopig onder toezicht gesteld en geplaatst in een jeugdhulpaccommodatie voor drie maanden.
De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep werd mogelijk gesteld voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft.
Uitkomst: Verzoek voorlopige voogdij afgewezen; voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toegekend voor drie maanden.