De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader. De minderjarige woont sinds 2021 bij de vader in Nederland, terwijl de moeder het eenhoofdig gezag heeft volgens Grieks recht. Er is sprake van een conflict tussen de ouders, waarbij de minderjarige wordt belast met de spanningen en daardoor een emotioneel onveilige opvoedomgeving heeft.
De gecertificeerde instelling en de vader steunen het verzoek, waarbij de vader tevens een gezamenlijk gezag wil aanvragen. De moeder betwist de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en stelt dat de minderjarige bij haar in [land] moet worden geplaatst, maar erkent subsidiair een kortdurende ondertoezichtstelling.
De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van de feiten en het belang van het kind wordt de ondertoezichtstelling voor zes maanden toegewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verleend. De behandeling van het overige verzoek wordt aangehouden voor nader onderzoek naar de situatie bij de moeder en de toekomst van het kind.