ECLI:NL:RBDHA:2023:17932
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 3 januari 2023 een asielaanvraag in Nederland in, nadat hij op 28 december 2022 al een verzoek in Duitsland had ingediend. Verweerder besloot de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser stelde dat overdracht aan Duitsland onevenredige hardheid oplevert vanwege medische problematiek en familiebanden in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de medische situatie van eiser voldoende had onderzocht en dat er geen aanwijzingen zijn dat Nederland het meest geschikte land is voor behandeling. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, en eiser heeft niet aangetoond dat medische voorzieningen in Duitsland ontoereikend zijn. Het beroep op het C.K.-arrest faalt omdat eiser geen objectieve medische gegevens overlegd heeft die een reëel risico op ernstige achteruitgang aantonen.
Ook de wens van eiser om bij zijn broer en zus te verblijven, die in Nederland wonen, is niet voldoende om overdracht te voorkomen. Verweerder heeft dit terecht als niet bijzonder genoeg beoordeeld. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die overdracht onevenredig maken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen overdracht aan Duitsland wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.