ECLI:NL:RBDHA:2023:17961

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 november 2023
Publicatiedatum
22 november 2023
Zaaknummer
NL23.24683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming van derdelander uit Oekraïne bevestigd door rechtbank

De rechtbank Den Haag heeft op 22 november 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser, een Iraanse derdelander, beroep instelde tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming per 4 september 2023 te beëindigen.

Eiser stelde primair dat hij niet tot de doelgroep behoorde waarvoor de tijdelijke bescherming kon worden beëindigd, onder meer omdat hij mogelijk een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in Oekraïne had. Deze stelling werd niet onderbouwd en eiser overhandigde slechts een tijdelijke verblijfsvergunning met een einddatum in december 2022. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij tot een uitzonderingsgroep behoorde.

De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd bevestigd dat de staatssecretaris bevoegd was om de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep te beëindigen. Eiser had de mogelijkheid om zijn zienswijze te geven en werd vertegenwoordigd tijdens de zitting. De rechtbank zag geen grond om het besluit te vernietigen of om een schadevergoeding toe te kennen wegens overplaatsing in het kader van zijn asielprocedure.

Het verzoek om aanhouding of schorsing van de procedure in afwachting van een uitspraak van de Raad van State werd afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.24683

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

van Iraanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 17 augustus 2023, waarbij verweerder aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit), eindigt op 4 september 2023.
1.1.
Op 3 juli 2023 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om de tijdelijke bescherming van eiser op 4 september 2023 te beëindigen. Eiser heeft zijn zienswijze ingebracht. Verder is het bestreden besluit genomen, waartegen het beroep zich richt.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Eiser heeft primair gesteld dat hij niet behoort tot de doelgroep waarvoor de tijdelijke bescherming beëindigd kan worden. Volgens eiser is het waarschijnlijk dat hij in Oekraïne een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd bij zijn echtgenote had. Deze stelling is op generlei wijze onderbouwd. Daar komt bij dat eiser een in februari 2022 afgegeven tijdelijke verblijfsvergunning heeft overgelegd (met een einddatum in december 2022). Eiser heeft met de door hem gegeven onderbouwing dan ook niet aannemelijk gemaakt te behoren tot een groep voor wie niet is aangekondigd de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 te beëindigen.
4. Bij uitspraak van 30 oktober 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder bevoegd was de tijdelijke bescherming voor de groep die is aangeduid als facultatieve groep te beëindigen. Er is geen aanleiding gezien prejudiciële vragen te stellen (ECLI:NL:RBDHA:2023:16291). Wat eiser daartegen in deze zaak heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
5. Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven over het (voorgenomen) besluit. Onder verwijzing naar de hiervoor onder 4. genoemde uitspraak (rechtsoverweging 7.2.) is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen afzien van een individueel gehoor.
6. Op de zitting heeft eiser zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Daarbij is gewezen op het werk wat eiser in Nederland heeft. Eerder is een
arbeidsovereenkomst overgelegd, waarin is vermeld dat deze begin december 2023 van rechtswege eindigt. Ook is gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117 (Chakroun). Verder is in de gronden gesteld dat eiser asiel heeft aangevraagd, dat hij vervolgens is overgeplaatst en dat hij er financieel en qua woonruimte op achteruit is gegaan. De schade dient volgens hem door verweerder te worden vergoed.
De rechtbank ziet in hetgeen door eiser naar voren is gebracht geen grond voor het oordeel dat verweerder geen gebruik kon maken van de bevoegdheid de tijdelijke bescherming te beëindigen. De rechtbank ziet evenmin grondslag om in onderhavige procedure een schadevergoeding toe te kennen vanwege een overplaatsing ten behoeve van behandeling van zijn asielaanvraag.
7. Eiser heeft verzocht om aanhouding dan wel schorsing van het onderzoek ter zitting tot het moment dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak doet in een soortgelijke zaak. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.