ECLI:NL:RBDHA:2023:18016

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 november 2023
Publicatiedatum
23 november 2023
Zaaknummer
NL23.32890
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

De rechtbank Den Haag beoordeelt het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen omdat op grond van de Dublinverordening Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser stelt dat de asielprocedure in Frankrijk niet correct is verlopen, dat hij onvoldoende opvang heeft ontvangen en dat overdracht aan Frankrijk een schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt vanwege het risico op gedwongen terugkeer. De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat alleen bij aantoonbare, structurele tekortkomingen in het Franse systeem die een hoog niveau van ernstig risico veroorzaken, kan worden afgeweken.

De enkele stellingen van eiser zijn onvoldoende om een fundamentele systeemfout aan te tonen. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het besluit tot niet in behandeling nemen van de aanvraag terecht is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.32890

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 oktober 2023 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn asielaanvraag in Frankrijk niet juist is beoordeeld omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn procedure te onderbouwen met documentatie. Bovendien is de door eiser in Frankrijk ontvangen opvang ontoereikend. Tot slot is eiser van mening dat hij bij overdracht aan Frankrijk het risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [2] , nu overdracht aan Frankrijk gedwongen terugkeer naar zijn land van herkomst betekent. Eiser is daarom van mening dat zijn asielaanvraag in Nederland ten onrechte is afgewezen en dat deze alsnog inhoudelijk dient te worden beoordeeld.
6. De rechtbank overweegt dat ten aanzien van Frankrijk in het algemeen mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU-Handvest [3] . Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU-Handvest zal eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218)). Het is aan eiser om in de eerste plaats algemene informatie te overleggen waaruit voldoende concrete aanknopingspunten volgen dat het beschermingsbeleid in Frankrijk evident en fundamenteel verschilt van het beleid dat door de Nederlandse autoriteiten wordt gevoerd. Dat evidente en fundamentele verschil moet er in gelegen zijn dat op voorhand duidelijk is - dus zonder een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag - dat eiser in Frankrijk op grond van het algemene beschermingsbeleid geen internationale bescherming krijgt, terwijl hij dat in Nederland in beginsel wel krijgt. Alleen dan kan wegens het verschil in beschermingsbeleid volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sprake zijn van een fundamentele systeemfout, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt in de zin van het arrest Jawo.
6.1.
De enkele stelling dat eisers asielaanvraag in Frankrijk niet juist is beoordeeld omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn procedure te onderbouwen met documentatie is hiertoe niet toereikend. Daarnaast, en alhoewel kan worden aangenomen dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, is niet gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. Voor zover eiser meent dat er geen of ontoereikende opvang voor hem zal zijn, dient hij hierover - als dat inderdaad zo blijkt te zijn - te klagen bij de Franse autoriteiten. De beschikking is op deze punten afdoende gemotiveerd.
6.2.
Uit bovenstaande volgt ook dat Frankrijk in acht dient te nemen dat een eventuele uitzetting niet in strijd is met het verbod om een vreemdeling onvrijwillig over te dragen aan de autoriteiten van een land waar de vreemdeling vervolging te vrezen heeft. Het is echter aan de Franse autoriteiten om hierover te besluiten.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.