ECLI:NL:RBDHA:2023:18024
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak Dublin-verordening
Verzoeker, van Marokkaanse nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublin-verordening, omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter besloot de zaak zonder zitting te behandelen op basis van artikel 8:83, derde lid, Awb.
Op dezelfde dag deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL23.32890), waardoor de voorlopige voorziening niet meer nodig was. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.