ECLI:NL:RBDHA:2023:18037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2023
Publicatiedatum
23 november 2023
Zaaknummer
NL22.344
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen op machtigingsaanvraag

Verzoekster diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid, welke op 12 maart 2021 werd afgewezen door verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze afwijzing en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Verweerder verklaarde het bezwaar ongegrond en legde een bestuurlijke dwangsom op.

Verzoekster trok vervolgens het beroep tegen het niet tijdig beslissen in en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelde vast dat verweerder aan verzoekster was tegemoetgekomen door alsnog een beslissing te nemen tijdens het beroep. Op grond hiervan achtte de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding kennelijk gegrond.

De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van €418,50 aan proceskosten, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de wegingsfactor voor een licht beroep. Verzoekster was vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht, waardoor verweerder niet verplicht was dit te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter S.E. van de Merbel en griffier Ż.A. Meinert en openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €418,50 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.344

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], verzoekster

V-nummer: [Nummer]
mede namens haar minderjarige kinderen [Naam 2] en [Naam 3]
(gemachtigde: mr. A.W.M. van de Wouw),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 12 maart 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster een machtiging tot voorlopig verblijf met het doel 'verblijf als familie- of gezinslid' te verlenen afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar.
Bij besluit van 19 mei 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder de bestuurlijke dwangsom vastgesteld op € 1.442.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank bij afzonderlijke uitspraak en met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb een bestuursorgaan in de proceskosten veroordelen, indien bij de intrekking van het beroep daarom wordt verzocht en verweerder geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoeker is tegemoet gekomen door hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een beslissing te nemen. Verzoeker heeft het verzoek om vergoeding van de proceskosten gedaan gelijktijdig met het intrekken van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
3. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om vergoeding van de proceskosten kennelijk gegrond is.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). De wegingsfactor ‘licht’ is van toepassing aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
5. De rechtbank wijst erop dat verzoeker wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat verweerder niet op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.