ECLI:NL:RBDHA:2023:18052

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 november 2023
Publicatiedatum
23 november 2023
Zaaknummer
NL23.31027
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 2u VwArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf familieleden

Eiser diende op 7 februari 2023 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn echtgenote en kinderen in het kader van nareis. Na het verstrijken van de beslistermijn stelde eiser de staatssecretaris bij brief van 30 augustus 2023 in gebreke. Vervolgens werd op 29 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris de beslistermijn, inclusief een verlenging van drie maanden, heeft overschreden. Eiser heeft de ingebrekestelling rechtsgeldig gedaan en de wettelijke termijn van twee weken na ontvangst daarvan is verstreken. De rechtbank sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie dat een dergelijke overschrijding bij gezinsherenigingsaanvragen een bijzonder geval vormt.

Omdat het dossier mogelijk nog niet compleet is, krijgt de staatssecretaris de mogelijkheid om binnen acht weken alsnog een besluit te nemen, tenzij nader onderzoek nodig is, dan geldt een termijn van twintig weken. Voor elke dag overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van €100 opgelegd, met een maximum van €7.500. De reeds verbeurde dwangsom wordt vastgesteld op €1.442.

Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser en moet het betaalde griffierecht worden vergoed. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 23 november 2023.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een dwangsom op aan de staatssecretaris wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31027

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: R. Ishaak).

Procesverloop

Eiser heeft op 7 februari 2023 een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis voor zijn echtgenote [naam] en zijn kinderen [naam], [naam], [naam] en [naam].
Bij brief van 30 augustus 2023 heeft eiser de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Eiser heeft vervolgens op 29 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. De staatssecretaris moet uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen (artikel 2u, eerste lid, van de Vw). De staatssecretaris heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken, dat eiser de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.
5. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
6. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 17 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3590) geoordeeld dat bij de overschrijding van de beslistermijn bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb en tevens overwegingen gewijd aan het bepalen van een nadere termijn voor het alsnog beslissen op dergelijke aanvragen De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel, neemt de overwegingen uit voornoemde uitspraak over en ziet geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen.
7. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de staatssecretaris in het verweerschrift heeft aangegeven dat hij van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie. De staatssecretaris wil vervolgens bekijken of nader onderzoek, mogelijk in de vorm van een gehoor, nodig is. De rechtbank bepaalt daarom dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een beslissing op de aanvraag bekend moet maken, tenzij de staatssecretaris binnen deze termijn daadwerkelijk besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet de staatssecretaris binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak een beslissing op de aanvraag bekend maken.
8. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
9. Op verzoek stelt de rechtbank de hoogte vast van de bestuurlijke dwangsom die de staatssecretaris op grond van afdeling 4.1.3 van de Awb verschuldigd is. Eiser heeft verzocht deze dwangsom vast te stellen. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken na de dag als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb, stelt de rechtbank de verbeurde dwangsom vast op
€ 1.442,-.
10. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).
11. De staatssecretaris moet ook het door eiser betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken, tenzij de staatssecretaris besluit binnen deze termijn besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet verweerder binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak een beslissing op de aanvraag bekend maken;
  • bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • stelt de hoogte van de door de staatssecretaris aan eiser verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb vast op € 1.442,-;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 418,50;
- draagt de staatssecretaris op de door eiser betaalde griffierechten van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.