ECLI:NL:RBDHA:2023:18083

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2023
Publicatiedatum
23 november 2023
Zaaknummer
22-6000
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiseres werkte als medewerkster huishoudelijke zorg en meldde zich ziek op 30 maart 2020. Na beëindiging van haar dienstverband kreeg zij een Ziektewetuitkering. Haar aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen door het Uwv, dat haar arbeidsongeschiktheid op 16,95% vaststelde.

De rechtbank beoordeelde het beroep van eiseres tegen deze beslissing. Het Uwv baseerde zich op medische rapporten van verzekeringsartsen, die na zorgvuldig onderzoek concludeerden dat eiseres niet volledig arbeidsongeschikt was en dat haar beperkingen objectief medisch waren onderbouwd. Eiseres stelde zich op het standpunt dat zij geheel niet kon werken vanwege haar klachten, maar kon dit niet met voldoende objectieve medische gegevens onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat het Uwv terecht is uitgegaan van de Functionele Mogelijkhedenlijst en dat de beperkingen van eiseres juist waren vastgesteld. De medische rapporten waren zorgvuldig en duidelijk, en de aanvullende medische informatie bood geen aanleiding tot een andere beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres heeft geen recht op een WIA-uitkering per 28 maart 2022.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6000

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2023 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: M. Celik),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. M.A. Bakker).

Inleiding

1.1.
Het Uwv heeft de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 16,95%.
1.2.
In bezwaar is het Uwv bij dit besluit gebleven.
1.3.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen deze beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) van 9 augustus 2022.
1.4.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.

Wat vooraf ging aan deze procedure

2.1.
Eiseres heeft gewerkt als medewerkster huishoudelijke zorg voor gemiddeld 14,87 uur per week. Op 30 maart 2020 meldde zij zich ziek voor deze werkzaamheden. Per 31 mei 2020 is het dienstverband van eiseres beëindigd, waarna het Uwv haar per 1 juni 2020 een uitkering op grond van de Ziektewet heeft toegekend.
2.2.
Eiseres heeft een aanvraag voor een WIA-uitkering gedaan. Het Uwv heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.

Wat vindt het Uwv

3.1
Het Uwv vindt dat eiseres op 28 maart 2022 minder dan 35%, namelijk 16,95% arbeidsongeschikt is en heeft daarom geweigerd om aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen.
3.2
Het Uwv heeft de medische grondslag van het bestreden besluit gebaseerd op het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 8 augustus 2022. De medische belastbaarheid van eiseres is opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 februari 2022.

Wat vindt eiseres

4. Eiseres is het niet eens met het Uwv. Zij stelt dat het bestreden besluit onjuist is, dat het op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de motivering niet deugdelijk is. Eiseres stelt dat zij in het geheel geen werkzaamheden kan uitvoeren vanwege haar lichamelijke klachten. Ter onderbouwing heeft zij in beroep medische gegevens overgelegd.

De beoordeling van de rechtbank

5. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.
5.1
De primaire verzekeringsarts heeft op 15 februari 2022 lichamelijk en psychisch onderzoek bij eiseres verricht en aan de hand van haar bevindingen een FML opgesteld waarin zij de beperkingen van eiseres heeft vastgelegd. Volgens de primaire verzekeringsarts is er geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid, ook wel GDBM (geen duurzaam benutbare mogelijkheden) genoemd. Van GDBM is sprake als iemand duurzaam geen benutbare mogelijkheden heeft, zoals bedoeld in het Schattingsbesluit. Uit het dagverhaal, zoals door de verzekeringsarts is opgenomen in haar rapport van 28 februari 2022, blijkt dat hiervan bij eiseres geen sprake is. Ze is niet opgenomen in een instelling of ziekenhuis, ze is niet bedlegerig en/of afhankelijk van anderen bij de activiteiten van het dagelijks leven (ADL). Ook is er geen sprake van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld waardoor zij zelf tot niets in staat is of voor haar (lichamelijke) verzorging geheel afhankelijk is van anderen.
5.2.
De verzekeringsarts b&b heeft op 8 augustus 2022 rapport uitgebracht, waarin hij heeft uiteengezet waarom hij het eens is met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht en de door eiseres in bezwaar overgelegde aanvullende medische informatie kenbaar betrokken bij zijn beoordeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat in deze zaak een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht.
5.3.
De verzekeringsarts b&b acht aannemelijk dat eiseres klachten heeft, maar is van oordeel dat met de in de FML in de rubrieken 1, 2, 3, 4, 5 en 6 opgenomen beperkingen, waaronder een urenbeperking van maximaal 30 uur per week, in voldoende mate rekening is gehouden met de objectieve en subjectieve klachten. Voor een ruimere urenbeperking ziet hij geen rechtvaardiging gelet op het relatief normale dagverhaal en de gegeven diagnoses. Het overgrote deel van de beperkingen waren al aanwezig vóór aanvang van het werk. De reden van uitval is kennelijk de goedaardige tumor die tot op heden maar beperkt klachten geeft. De reden voor überhaupt ongeschiktheid voor het eigen werk is onduidelijk volgens de verzekeringsarts b&b.
5.4.
In beroep heeft de verzekeringsarts b&b in zijn rapport van 1 augustus 2023 gereageerd op de in beroep overgelegde medische informatie. De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding om zijn eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De brieven die betrekking hebben op de bevalling in 2009 en de buikoperatie in 2015 zijn niet van belang voor de belastbaarheid op de datum in geding, 28 maart 2022. De informatie van de neuroloog, kort samengevat dat er geen verklaring is voor de pijnklachten van eiseres, was al bekend en werpt geen ander licht op de belastbaarheid op de datum in geding. De brieven van diverse orthopedisch chirurgen zijn niet geheel eensluidend, maar uit de meest recente brieven volgt dat er eigenlijk geen relevante artrose van de kniegewrichten is en dat er geen orthopedische oorzaak is voor de pijnklachten. Eiseres is desondanks toch fors beperkt geacht voor kniebelastende handelingen en houdingen (lopen, lopen tijdens het werk, trappenlopen, staan, staan tijdens het werk enz.) in de FML. De verzekeringsarts b&b ziet in de ontvangen informatie geen aanleiding voor het opnemen van nog meer beperkingen.
5.5.
De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen reden voor twijfel aan dit medisch oordeel. Dat eiseres meer klachten ervaart, kan voor de rechtbank niet leiden tot twijfel aan de medische beoordeling. In de verzekeringsgeneeskundige beoordeling kan niet uitsluitend worden afgegaan op hoe eiseres haar klachten zelf ervaart. In de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zijn niet de ervaren klachten of de diagnose doorslaggevend, maar de mate waarin beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van die klachten objectief medisch kunnen worden onderbouwd. Zonder afbreuk te willen doen aan de door eiseres ervaren impact van haar klachten op het dagelijks leven, merkt de rechtbank op dat er geen medisch objectieve onderbouwing is voor verdergaande beperkingen op 28 maart 2022.
5.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van eiseres voor de geduide functies. De arbeidsdeskundige heeft daarom terecht geconcludeerd dat de geduide functies voor eiseres geschikt zijn, zodat zij in staat is meer dan 65% van het voor haar geldende maatmanloon te verdienen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres per 28 maart 2022 geen recht heeft op een WIA- uitkering. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.