ECLI:NL:RBDHA:2023:18109

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2023
Publicatiedatum
24 november 2023
Zaaknummer
NL23.11907
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens niet-tijdig beslissen asielaanvraag

Verzoeker diende op 3 januari 2022 een asielaanvraag in waarop niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden werd beslist. Op 4 juli 2023 heeft de staatssecretaris de aanvraag alsnog ingewilligd. Verzoeker trok daarop het beroep tegen het niet tijdig beslissen in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris niet terecht een verlenging van de beslistermijn met negen maanden heeft ingeroepen, omdat deze verlenging alleen gold voor Griekse statushouders, terwijl verzoeker dat niet was. Hierdoor was de staatssecretaris gehouden binnen zes maanden te beslissen.

Omdat de aanvraag uiteindelijk is ingewilligd en het beroep is ingetrokken, komt de rechtbank verzoeker geheel tegemoet en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe. De proceskosten worden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op een lichtwegingsfactor vanwege de beperkte aard van het beroep.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €418,50 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11907

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 19 april 2023 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 3 januari 2022.
Bij besluit van 4 juli 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker ingewilligd.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de termijn van zes maanden waarbinnen op de asielaanvraag van 3 januari 2022 had moeten worden beslist is verlengd met negen maanden in verband met de brief van 30 september 2021 van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer. Deze brief ziet echter op de verlenging van de beslistermijn op de asielaanvraag van Griekse statushouders. Uit de stukken volgt niet dat eiser een Griekse statushouder was. Dit betekent dat verweerder gehouden was om binnen zes maanden na het indienen van de asielaanvraag een beslissing te nemen op de asielaanvraag. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingewilligd, is verweerder geheel aan het beroep van verzoeker tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.