ECLI:NL:RBDHA:2023:18129
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in strafzaak wegens gebrek aan gegronde aanwijzing van vooringenomenheid
In deze zaak diende een gedetineerde verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechters die betrokken waren bij zijn strafzaak. Het verzoek was gebaseerd op de stelling dat de rechters vooringenomen zouden zijn vanwege hun afwijzing van een rechtmatigheidsverzoek en de motivering daarvan, waarin werd gesteld dat er geen begin van aannemelijkheid was voor een vormverzuim.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de criteria voor rechterlijke onpartijdigheid. Volgens vaste rechtspraak kan een rechter alleen worden gewraakt indien er bijzondere omstandigheden zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Het enkele feit dat een rechter een tussenbeslissing neemt die ongunstig is voor een partij, vormt geen grond voor wraking.
De wrakingskamer concludeerde dat de motivering van de afwijzing van het rechtmatigheidsverzoek niet anders kan worden uitgelegd dan als een inhoudelijke beslissing binnen de procedure en niet als blijk van vooringenomenheid. De kamer wees het wrakingsverzoek daarom af en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.