ECLI:NL:RBDHA:2023:18131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2023
Publicatiedatum
24 november 2023
Zaaknummer
NL23.28187
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 24 Verordening 603/2013Art. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, van Sierra Leoonse nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland die niet in behandeling is genomen omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De staatssecretaris heeft een terugnameverzoek bij Kroatië ingediend, dat is aanvaard. Eiser is niet verschenen bij de zitting, maar heeft wel beroep ingesteld tegen het besluit.

De rechtbank heeft het beroep beoordeeld aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden. De registratie in het Eurodac-systeem en verklaringen van eiser bevestigen dat hij in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Het terugnameverzoek is tijdig ingediend binnen de wettelijke termijn van twee maanden. De rechtbank volgt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het oordeel dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië van toepassing is.

Eiser heeft geen concrete aanwijzingen geleverd die het vertrouwen in Kroatië als verantwoordelijke lidstaat kunnen ondermijnen. Ook de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals tandheelkundige problemen en psychische klachten, zijn onvoldoende onderbouwd om af te wijken van de standaardprocedure. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.28187

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Sierra Leoonse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] . De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 september 2023 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat Kroatië verantwoordelijk is voor het verzoek van eiser om internationale bescherming. In dit verband heeft de staatssecretaris op pagina twee van het bestreden besluit in de eerste plaats gewezen op de registratie van eiser in het Eurodac-systeem en dat op basis van die registratie blijkt dat eiser in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De staatssecretaris heeft voor wat betreft de betekenis van de cijfercombinatie verwezen naar artikel 24, vierde lid, van Verordening 603/2013. Op basis van het referentienummer, zoals eiser in het Eurodac-systeem geregistreerd staat, heeft de staatssecretaris terecht de conclusie getrokken dat eiser in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Dat eiser een dergelijk verzoek in Kroatië heeft ingediend blijkt ook uit zijn eigen verklaringen in het aanmeldgehoor. Gelet hierop heeft de staatssecretaris terecht op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening een terugnameverzoek ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de staatssecretaris het verzoek om terugname tijdig ingediend?
6. Uit het tweede lid van artikel 24 van Pro de Dublinverordening volgt dat een terugnameverzoek binnen een termijn van twee maanden nadat het Eurodac-systeem is geraadpleegd, moet worden ingediend. Ter zitting heeft de gemachtigde van de staatssecretaris desgevraagd toegelicht dat de Eurodac-treffer dateert van 31 mei 2023. Het op 27 juli 2023 ingediende terugnameverzoek is binnen de gestelde termijn van twee maanden, en dus tijdig, ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan?
7. De rechtbank stelt vast dat de ABRvS [2] bij uitspraak van 13 september 2023 heeft geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De uitspraken waar eiser in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel een beroep heeft gedaan, dateren van voor deze uitspraak en kunnen om die reden niet afdoen aan het oordeel van de ABRvS. Eiser heeft geen andere informatie naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de staatsecretaris de aanvraag onverplicht aan zich had moeten trekken?
8. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake is. De door eiser naar voren gebrachte problemen met zijn gebit (afgebroken voortanden) heeft de staatssecretaris daarvoor onvoldoende kunnen achten. Uit het medisch journaal dat de gemachtigde heeft overgelegd blijkt van een bezoek aan een tandarts in juni 2023. Daarna is niet meer van deze pijnklachten gebleken. Ook van eerder genoemde slaapproblemen/paniekaanvallen/nachtmerries is geen actuele informatie beschikbaar gesteld door eiser. Het uitgangspunt is dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in dit geval niet opgaat. Eiser is hierin niet geslaagd. De overgelegde stukken bieden geen concrete aanwijzingen dat behandeling – voor zover dat nog nodig is – in dit geval niet adequaat in Kroatië kan plaatsvinden. Het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 11 oktober 2023 [3] , leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat de staatssecretaris in het geval van eiser – anders dan in die zaak – wel gemotiveerd is ingegaan op wat door eiser als bijzondere omstandigheden naar voren is gebracht. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State