Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2023 in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college
[derde-partij], te [woonplaats] (vergunninghouder)
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een door het college verleende tijdelijke omgevingsvergunning voor het vernieuwen van een bedrijfsruimte en het handelen in strijd met het bestemmingsplan op een perceel nabij zijn Rijksmonument. De vergunning is verleend voor een periode van tien jaar en betreft een project waarbij een deel van een kas wordt gesloopt en omgebouwd tot een bedrijfsgebouw met een verhoogde kasconstructie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker als belanghebbende kan worden aangemerkt en dat er voldoende spoedeisend belang is vanwege de reeds uitgevoerde bouwactiviteiten. Verzoeker voert aan dat de bouwhoogte en het materiaalgebruik van het nieuwe bedrijfsgebouw afbreuk doen aan de omgeving en dat het gebruik van het perceel niet past binnen het bestemmingsplan.
De rechter stelt vast dat het college niet alle planregels, zoals oppervlakte bedrijfsbebouwing en afstand tot erfscheiding, kenbaar heeft getoetst en dat de ruimtelijke gevolgen van de bedrijfsactiviteiten onvoldoende zijn onderzocht. Desondanks wegen de belangen van vergunninghouder om de bouw af te ronden zwaarder dan die van verzoeker, mede omdat de bouwhoogte binnen de maximale toegestane hoogte valt en er geen onomkeerbare gevolgen zijn.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, maar dat dit geen reden vormt om de vergunning te schorsen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de tijdelijke omgevingsvergunning wordt afgewezen.