ECLI:NL:RBDHA:2023:18216
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van dreiging door Tehreek-e-Taliban in Pakistan
Eiser, afkomstig uit Peshawar, Pakistan, vroeg asiel aan in Nederland wegens bedreigingen door de terroristische groepering Tehreek-e-Taliban Pakistan (TTP) na weigering mee te werken aan rekrutering van jongens voor jihad. Hij stelde dat hij door de TTP en families van ontvoerde jongens werd bedreigd en dat hij vreest vermoord te worden bij terugkeer.
De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de kern van het asielrelaas, met name de bewering dat de TTP hem verdenkt van het bekendmaken van ontvoeringen. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris onterecht stelde dat deze verklaringen niet stroken met algemene landeninformatie, maar passeert dit motiveringsgebrek omdat de overige tegenwerpingen voldoende zijn om het besluit te dragen.
De rechtbank vindt dat de dreigbrief en de navraag door de TTP onvoldoende aannemelijk zijn en dat eiser onvoldoende gedetailleerd kon verklaren over bedreigingen en verdenkingen door families van ontvoerde jongens. Hierdoor acht de rechtbank het asielrelaas niet geloofwaardig en verklaart het beroep ongegrond.
De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris wel in de proceskosten van eiser wegens een motiveringsgebrek in het besluit. Het hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende geloofwaardigheid van het dreigingsverhaal.