De zaak betreft een geschil over de toepassing van de ketenbepaling in artikel 7:668a BW in samenhang met een afwijkende ketenbepaling in de cao glastuinbouw. Werknemer was op basis van vijf tijdelijke contracten werkzaam als hoofd spoelerij bij eiseres. Verweerder weigerde een ZW-uitkering toe te kennen omdat volgens hem de ketenbepaling van toepassing was en werknemer een contract voor onbepaalde tijd had.
Eiseres stelde dat de functie van werknemer kwalificeert als een referentiefunctie in de cao glastuinbouw, waardoor de ketenbepaling na een tussenpoos van drie maanden vervalt. Aangezien de tussenpozen vijf maanden bedroegen, was er geen sprake van een contract voor onbepaalde tijd en had werknemer recht op een ZW-uitkering.
De rechtbank onderzocht de functieomschrijving en concludeerde dat de werkzaamheden en verantwoordelijkheden van werknemer grotendeels overeenkomen met die van de referentiefunctie 'operator/machinebediener I'. Het leidinggevende aspect was onvoldoende om de functie buiten deze referentiefunctie te plaatsen. Ook het hogere salaris was geen doorslaggevend argument.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval verweerder een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.