ECLI:NL:RBDHA:2023:18219
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming voor facultatieve groep ontheemden uit Oekraïne
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn recht op tijdelijke bescherming, zoals bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, te beëindigen per 4 september 2023. Hij stelde dat hij geen bericht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) had ontvangen, dat hij gelijk behandeld moest worden als andere Oekraïense vluchtelingen en dat hij onderdak en werk nodig had.
De rechtbank overwoog dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep, waaronder eiser valt, te beëindigen, zoals eerder door de meervoudige kamer is vastgesteld. De rechtbank verwierp het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel omdat eiser geen ondubbelzinnige toezegging had gekregen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er een gerechtvaardigd onderscheid bestaat tussen verschillende groepen ontheemden.
Verder oordeelde de rechtbank dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het besluit is geschikt en noodzakelijk om de opvangcapaciteit te beschermen en misbruik tegen te gaan. Eiser had onvoldoende onderbouwd waarom het besluit onevenredig zou zijn. Ook het betoog dat hij niet tijdig een advocaat kon vinden werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.