ECLI:NL:RBDHA:2023:18238
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming van facultatieve groep ontheemden niet onrechtmatig
Eiser betwist het besluit van de staatssecretaris om zijn tijdelijke bescherming per 4 september 2023 te beëindigen. Hij stelt dat hij niet tijdig is geïnformeerd, geen advocaat kon vinden, en dat hij gelijk behandeld moet worden als andere Oekraïense ontheemden. Tevens beroept hij zich op het rechtszekerheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 30 oktober 2023 waarin is bevestigd dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming van de facultatieve groep, waaronder eiser valt, te beëindigen. De rechtbank oordeelt dat eiser geen ondubbelzinnige toezegging heeft gekregen en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat er een gerechtvaardigd onderscheid bestaat tussen de facultatieve groep en de hoofdgroep van Oekraïense ontheemden.
De rechtbank overweegt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming passend en noodzakelijk is om het doel van de Richtlijn te bereiken, namelijk het voorkomen van ontwrichting van het asielstelsel en het verminderen van opvangdruk. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom de inbreuk op zijn belangen onevenredig zou zijn. Ook het betoog dat hij niet tijdig een advocaat kon vinden wordt niet aannemelijk geacht.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.