ECLI:NL:RBDHA:2023:18307
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden in vreemdelingenzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk te verklaren.
De voorzieningenrechter heeft het verzoekschrift beoordeeld en vastgesteld dat het geen gronden bevatte, hetgeen vereist is op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verzoeker is vervolgens per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken alsnog gronden in te dienen, maar heeft hier niet op gereageerd.
Gezien het ontbreken van gronden en het uitblijven van reactie op de herstelmogelijkheid, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.