Eiseres diende op 6 september 2023 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. Na het niet tijdig beslissen door de staatssecretaris stelde eiseres hem op 17 juli 2023 in gebreke en diende op 29 september 2023 beroep in tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank constateert dat de wettelijke beslistermijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, is verstreken en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De rechtbank sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie waarin bij overschrijding van de beslistermijn sprake is van een bijzonder geval en bepaalt een nadere termijn voor het alsnog beslissen.
De staatssecretaris wordt opgedragen binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen, tenzij nader onderzoek noodzakelijk is, in welk geval de termijn twintig weken bedraagt. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500 opgelegd. De reeds verbeurde dwangsom wordt vastgesteld op €1.442. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiseres.