ECLI:NL:RBDHA:2023:18597
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming facultatieve groep niet in strijd met rechtszekerheid en vertrouwen
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming, op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, te beëindigen per 4 september 2023. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de eerder door de meervoudige kamer genomen MK-uitspraak van 30 oktober 2023, waarin werd vastgesteld dat de staatssecretaris bevoegd is tot tussentijdse beëindiging van de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep waartoe eiser behoort.
Eiser bracht onder meer in dat de beëindiging in strijd zou zijn met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De rechtbank stelde vast dat deze gronden reeds in de MK-uitspraak zijn beoordeeld en verworpen. De rechtbank nam de overwegingen uit die uitspraak over en zag geen aanleiding om daarvan af te wijken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak.
De uitspraak bevestigt de juridische kaders rond de tijdelijke bescherming van ontheemden uit Oekraïne en de bevoegdheid van de staatssecretaris om deze bescherming tussentijds te beëindigen binnen de facultatieve groep, zonder strijd met fundamentele rechtsbeginselen.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.