ECLI:NL:RBDHA:2023:18643
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming van een derdelander uit Oekraïne bevestigd door rechtbank
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag het beroep behandeld van een Nigeriaanse derdelander tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023. De tijdelijke bescherming was verleend op basis van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, die tijdelijke bescherming bieden aan ontheemden uit Oekraïne.
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en gewezen op een eerdere uitspraak van dezelfde rechtbank waarin werd bevestigd dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming voor de betreffende groep te beëindigen. De rechtbank vond geen aanleiding om hiervan af te wijken. Tevens oordeelde zij dat het besluit zorgvuldig was voorbereid, mede omdat eiser de mogelijkheid had gekregen om zijn zienswijze te geven en er geen individueel gehoor noodzakelijk was.
De rechtbank verwierp de argumenten van eiser dat de beëindiging onrechtmatig zou zijn en stelde dat de situatie in het land van herkomst van eiser in het kader van een eventuele verblijfsvergunning asiel zal worden beoordeeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier R. de Boer en is openbaar gemaakt op Rechtspraak.nl. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.