ECLI:NL:RBDHA:2023:18678

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
NL23.35963
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel van bewaring wegens onrechtmatige voortduring en toekenning schadevergoeding

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is sinds maart 2023 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Na een eerdere tijdelijke opheffing wegens strafrechtelijke detentie, is de maatregel op 12 juni 2023 opnieuw opgelegd en voortgezet.

De rechtbank toetst het voortduren van de maatregel na zes maanden en constateert dat verweerder geen verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt zoals vereist. Hierdoor is de voortzetting van de maatregel vanaf 2 november 2023 onrechtmatig.

Eiser heeft aangevoerd dat hij detentieongeschikt is, dat de maatregel disproportioneel is en dat er onvoldoende zicht is op uitzetting. De rechtbank acht deze argumenten niet meer aan de orde, omdat het gebrek aan verzwaarde belangenafweging al voldoende is voor gegrondverklaring van het beroep.

De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 28 november 2023 en kent een schadevergoeding toe van €2.700,- voor 27 dagen onrechtmatige detentie. Tevens worden de proceskosten van eiser toegewezen aan een bedrag van €837,-. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven en eiser ontvangt een schadevergoeding van €2.700,- wegens onrechtmatige voortzetting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35963

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: S. Sewmar).

Procesverloop

Verweerder heeft op 12 juni 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 21 november 2023 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. In het verzoek van eiser om gehoord te worden, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [1] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 2 november 2023 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
5. Eiser voert aan dat hij detentieongeschikt is en om die reden een lichter middel dient te worden opgelegd. Hij werkt verder volledig mee aan de vaststelling van zijn nationaliteit en identiteit. Verder stelt hij dat uit het voortgangsrapport volgt dat op voorhand wordt aangekondigd dat de termijn van zes maanden kan worden overschreden en hieruit blijkt dat verweerder een vooringenomen beleid hanteert. Verder is volgens eiser ook sprake van een aanzienlijke inbreuk op zijn recht op vrijheid. Ook stelt eiser dat de maatregel van bewaring niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit nu de termijn van zes maanden zal worden overschreden. Tot slot werkt verweerder onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting naar Marokko en is er geen zicht op uitzetting, aldus eiser.
6. Aan eiser is op 23 maart 2023 een maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel is op 31 mei 2023 opgeheven, omdat eiser nog een straf moest uitzitten van dertien dagen. Aansluitend aan deze strafrechtelijke detentie is aan eiser wederom op 12 juni 2023 een maatregel van bewaring opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de feitelijke detentie van eiser thans langer duurt dan zes maanden. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling [2] was verweerder dan ook gehouden om een verzwaarde belangenafweging te maken. [3] Uit het voortgangsrapport valt niet af te leiden dat zo’n dergelijke verzwaarde belangenafweging heeft plaatsgevonden, zodat sprake is van een gebrek dat leidt tot een onrechtmatige voortduring van de maatregel van bewaring vanaf 2 november 2023. Het beroep is dan ook reeds hierom gegrond. De rechtbank komt gelet hierop niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden.
7. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 27 dagen onrechtmatige voortduring van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel, van 27 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.700,-.
8. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 28 november 2023;
 veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.700,-, te betalen door de griffie en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 4 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9994, 5 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13655 en 9 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17462.
2.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
3.ABRvS 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1336.