ECLI:NL:RBDHA:2023:18706

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
NL23.35663
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArtikel 67 WetArtikel 66a, zevende lid, WetRichtlijn 2004/38/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, met de Surinaamse nationaliteit, werd op 8 november 2023 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd gemotiveerd door het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken.

Eiser stelde dat hij verblijfsrecht zou hebben in België op grond van richtlijn 2004/38 en dat hij vader is van een in België woonachtig Nederlands kind, waardoor hem rechten zouden toekomen. De rechtbank oordeelde dat eiser deze rechten niet met bewijs heeft onderbouwd en dat hij geen rol van betekenis speelt in het leven van het kind of zijn andere kinderen.

De rechtbank stelde vast dat de gronden voor de maatregel feitelijk juist en voldoende zijn en dat de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35663

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 20 november 2023 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [1] De rechtbank heeft het onderzoek op 22 november 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Surinaamse nationaliteit te hebben.
De maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen zijn als zodanig niet betwist. De rechtbank stelt vast dat de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, feitelijk juist zijn en voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Gronden van beroep
5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onderzoek had moeten doen naar een verblijfsrecht dat hij mogelijk heeft in België. Ook heeft verweerder miskend dat eiser vader is van een Nederlands kind dat in België woont. Hem komen daarom rechten toe op grond van richtlijn 2004/38.
6. De rechtbank volgt dit niet. Eiser heeft niet met documenten onderbouwd dat hij een verblijfsrecht heeft in België, noch dat hij de vader is van een in België woonachtig Nederlands kind. Ook heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd dat hij een rol van betekenis speelt bij de opvoeding of in het dagelijks leven van dit kind of van de andere vijf kinderen van wie hij zegt de vader te zijn. Verweerder heeft terecht met deze verklaringen geen rekening gehouden.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de bewaring van eiser onrechtmatig moet worden geacht.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 94, zevende lid, van de Vw.