ECLI:NL:RBDHA:2023:18775
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardig lidmaatschap politieke partij en onvoldoende nieuwe bewijsstukken
Eiser diende op 8 augustus 2022 een vierde opvolgende asielaanvraag in, waarin hij zijn lidmaatschap van een politieke partij en de daaruit voortvloeiende problemen bij terugkeer naar Burundi aannemelijk wilde maken. De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat het een opvolgende aanvraag betrof zonder nieuwe, voldoende aannemelijke elementen.
De rechtbank stelde vast dat eerdere afwijzingen en het ongeloofwaardig achten van het lidmaatschap in rechte vaststaan. De nieuwe documenten uit 2020 die eiser overlegde, werden inhoudelijk beoordeeld, maar de authenticiteit en inhoud werden niet als voldoende betrouwbaar geacht. Bovendien deed eiser pas twee jaar na het verkrijgen van deze documenten een nieuwe aanvraag, wat afbreuk doet aan zijn geloofwaardigheid.
Het beroep op het arrest L.H. kon niet slagen omdat de aanvraag niet betrof of nieuwe elementen bevatte die de ontvankelijkheid konden beïnvloeden. De rechtbank volgde de staatssecretaris in de beoordeling dat het lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende problemen niet aannemelijk waren gemaakt, mede vanwege bevreemdende verklaringen van eiser en onvoldoende onderbouwing.
Ook de stelling dat eiser vanwege zijn gemengde afkomst in negatieve belangstelling zou staan, werd niet aannemelijk geacht. De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht kennelijk ongegrond is verklaard en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk lidmaatschap politieke partij.