ECLI:NL:RBDHA:2023:18821

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
5 december 2023
Zaaknummer
NL23.31059
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf

Eiser diende op 15 november 2022 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. Na het verstrijken van de beslistermijn stelde eiser de staatssecretaris in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag en stelde vervolgens beroep in tegen het uitblijven van een besluit.

De staatssecretaris voerde aan dat het beroep niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van gronden, maar de rechtbank oordeelde dat eiser binnen de gestelde termijn gronden had ingediend, waardoor het beroep ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn was verstreken, de ingebrekestelling rechtsgeldig was en dat meer dan twee weken waren verstreken sinds de ingebrekestelling.

De rechtbank volgde eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat overschrijding van de beslistermijn bij gezinsherenigingsaanvragen een bijzonder geval is en bepaalde dat de staatssecretaris binnen acht weken een beslissing moet nemen, tenzij nader onderzoek wordt ingesteld, waarna een termijn van twintig weken geldt. Tevens legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 en stelde de reeds verbeurde dwangsom vast op €1.442. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de staatssecretaris op binnen acht weken alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31059

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: A. Salim).

Procesverloop

Eiser heeft op 15 november 2022 een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (referent) in het kader van nareis.
Bij brief van 11 juli 2023, door de staatssecretaris ontvangen op 13 juli 2023, heeft eiser de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Eiser heeft vervolgens op 29 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. De staatssecretaris heeft in het verweerschrift betoogd dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen gronden heeft ingediend. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser op 13 oktober 2023, binnen de door de rechtbank gestelde termijn, de gronden van het beroep heeft ingediend. Het beroep is daarom ontvankelijk.
3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
4. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
5. De staatssecretaris moet uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen (artikel 2u, eerste lid, van de Vw). De staatssecretaris heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken, dat eiser de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.
6. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
7. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 17 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3590) geoordeeld dat bij de overschrijding van de beslistermijn bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb en tevens overwegingen gewijd aan het bepalen van een nadere termijn voor het alsnog beslissen op dergelijke aanvragen De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel, neemt de overwegingen uit voornoemde uitspraak over en ziet geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen.
8. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de staatssecretaris in het verweerschrift heeft aangegeven dat hij van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie. De staatssecretaris heeft voorts aangegeven dat hij voornemens is om nader onderzoek aan te bieden in de vorm van een gehoor en een DNA-onderzoek. De rechtbank bepaalt daarom dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een beslissing op de aanvraag bekend moet maken, tenzij de staatssecretaris binnen deze termijn daadwerkelijk besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet de staatssecretaris binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak een beslissing op de aanvraag bekend maken.
9. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
10. Op verzoek stelt de rechtbank de hoogte vast van de bestuurlijke dwangsom die de staatssecretaris op grond van afdeling 4.1.3 van de Awb verschuldigd is. Eiser heeft verzocht deze dwangsom vast te stellen. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken na de dag als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb, stelt de rechtbank de verbeurde dwangsom vast op
€ 1.442,-.
11. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De staatssecretaris moet ook het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken, tenzij de staatssecretaris binnen deze termijn besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet de staatssecretaris binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak een beslissing op de aanvraag bekend maken;
  • bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • stelt de hoogte van de door de staatssecretaris aan eiser verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb vast op € 1.442,-;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 418,50;
- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.