Eiser diende op 15 november 2022 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. Na het verstrijken van de beslistermijn stelde eiser de staatssecretaris in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag en stelde vervolgens beroep in tegen het uitblijven van een besluit.
De staatssecretaris voerde aan dat het beroep niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van gronden, maar de rechtbank oordeelde dat eiser binnen de gestelde termijn gronden had ingediend, waardoor het beroep ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn was verstreken, de ingebrekestelling rechtsgeldig was en dat meer dan twee weken waren verstreken sinds de ingebrekestelling.
De rechtbank volgde eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat overschrijding van de beslistermijn bij gezinsherenigingsaanvragen een bijzonder geval is en bepaalde dat de staatssecretaris binnen acht weken een beslissing moet nemen, tenzij nader onderzoek wordt ingesteld, waarna een termijn van twintig weken geldt. Tevens legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 en stelde de reeds verbeurde dwangsom vast op €1.442. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser.