Eiser, een Pakistaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege mishandelingen en bedreigingen die hij zou hebben ondervonden wegens zijn vermeende bekering tot de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap. Hij stelde dat hij vanwege deze situatie meerdere malen mishandeld werd, fatwa’s over zich uit werden gesproken en hij zelfs werd beschoten.
De staatssecretaris wees de aanvraag af op grond van ongeloofwaardigheid van deze vrees, waarbij werd vastgesteld dat verklaringen van eiser over mishandeling en bedreiging onvoldoende aannemelijk waren. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de staatssecretaris zorgvuldig had gehandeld en voldoende rekening had gehouden met het referentiekader en trauma’s van eiser.
De rechtbank vond dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd, zoals het ontbreken van fatwa-documenten en inconsistenties in zijn relaas. Ook werden zijn verklaringen over incidenten en studieproblematiek niet aannemelijk geacht. De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht was afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond.