De gemeente Westland kreeg een last onder dwangsom opgelegd vanwege lozingen op oppervlaktewater vanuit overstortlocaties van het CAD-systeem. De gemeente maakte bezwaar en verzocht om schorsing van deze last. De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel de lozingen een overtreding van de Waterwet vormen, de gemeente niet als overtreder kan worden aangemerkt omdat zij niet zelf de lozingen heeft verricht, noch de beschikking had over het lozen.
De beoordeling van de overtrederstatus vond plaats aan de hand van de Drijfmest-criteria, waarbij werd vastgesteld dat het lozen niet binnen de normale taakuitoefening van de gemeente valt, de gedraging niet dienstig was voor de gemeente, en er geen aanwijzingen waren dat de gemeente de lozingen aanvaard heeft. De gemeente was gebruiker van het CAD-systeem, maar niet eigenaar en had geen feitelijke controle over de lozingen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het college van burgemeester en wethouders de gemeente ten onrechte als overtreder had aangemerkt en daarom niet bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen. Gezien het spoedeisend belang en de redelijke kans van slagen van het bezwaar werd de schorsing van de last onder dwangsom toegewezen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.