ECLI:NL:RBDHA:2023:19021
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling wegens prematuur ingediende ingebrekestelling in asielprocedure
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag, waarna de staatssecretaris de aanvraag alsnog heeft ingewilligd. Verzoeker trok daarop het beroep in en vroeg om proceskostenvergoeding. De rechtbank stelde vast dat de wettelijke beslistermijn was verlengd met negen maanden op grond van het WBV 2022/22, een verlenging die rechtsgeldig werd geacht.
De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling van verzoeker prematuur was ingediend, omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor was het beroep niet ontvankelijk en kon geen proceskostenveroordeling worden toegewezen. De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding dan ook af als kennelijk ongegrond.
De uitspraak bevestigt dat verlengingen van beslistermijnen op grond van bijzondere wetgeving rechtsgeldig kunnen zijn en dat prematuur ingediende ingebrekestellingen niet leiden tot ontvankelijkheid van het beroep of proceskostenveroordeling. De procedure werd zonder zitting afgedaan op basis van artikel 8:54 Awb Pro.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat de ingebrekestelling prematuur was en de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig was.