ECLI:NL:RBDHA:2023:19033
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op visum kort verblijf wegens onvoldoende bewijs verblijfdoel en twijfel terugkeer
Eiser, een Indonesische nationaliteit dragende man, had een visum kort verblijf aangevraagd om zijn zaken in Nederland af te ronden nadat zijn verblijfsvergunning was ingetrokken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel van het verblijf en twijfel over zijn terugkeer.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet voldoende heeft aangetoond dat zijn verblijf noodzakelijk is om zaken af te wikkelen, mede omdat de relatie met de referent niet goed is onderbouwd en stukken over lopende rechtszaken ontbreken. Ook is onvoldoende duidelijk of het verblijf primair voor vakantie of zakelijke afwikkeling is.
Verder heeft eiser onvoldoende aangetoond dat hij een sterke sociale en economische binding met Indonesië heeft. Hoewel hij stelt voor zijn ouders te zorgen, ontbreekt bewijs hiervoor en is onduidelijk of hij daadwerkelijk een inkomen of voldoende middelen heeft.
De rechtbank concludeert dat de minister terecht het visum heeft geweigerd en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf is ongegrond verklaard.