ECLI:NL:RBDHA:2023:19037
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen intrekking studievergunning wegens beëindiging inschrijving onderwijsinstelling
Eiser, een student met de Bengalese nationaliteit, had vanaf 1 september 2021 een verblijfsvergunning voor studie. Deze vergunning werd ingetrokken nadat de onderwijsinstelling hem per 31 december 2021 had afgemeld. Eiser voerde aan dat de intrekking onterecht was en dat verweerder barrières opwierp door terugkeer naar Bangladesh te eisen voor een nieuwe aanvraag.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende grond had voor intrekking, omdat eiser niet langer was ingeschreven bij een erkende onderwijsinstelling en daardoor niet meer voldeed aan de vergunningvoorwaarden. De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat de intrekking in strijd was met de geest van de Studierichtlijn, aangezien die expliciet intrekking toestaat bij niet-naleving van voorwaarden.
Verder werd geoordeeld dat het aan de onderwijsinstelling is om te beoordelen of er verschoonbare redenen zijn voor onvoldoende studievoortgang, en dat verweerder terecht geen bijzondere omstandigheden zag die intrekking zouden moeten voorkomen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak inmiddels inhoudelijk was beslist en de vereiste connexiteit ontbrak.
Eiser kreeg geen terugbetaling van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 29 november 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de studievergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.