Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
Procesverloop
Maatregel van bewaring
Voortvarendheid
Lichter middel
Ambtshalve toets
Conclusie
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Litouwse vreemdeling, werd op 31 augustus 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat er een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, onderbouwd met zware gronden zoals het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift tegen beëindiging van rechtmatig verblijf en het niet vrijwillig verlaten van Nederland.
Eiser betwistte de gronden, onder meer door te stellen dat onduidelijk is of hij de beschikking tot vertrek persoonlijk heeft ontvangen en dat hij bereid is Nederland vrijwillig te verlaten. De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist zijn en dat eiser geen onrechtmatig verblijf heeft gemeld, waardoor het risico op onttrekking aan toezicht terecht is aangenomen.
Verder stelde eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde in de uitzettingsprocedure en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank vond dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek en het aanvragen van een vlucht, en dat verweerder de keuze voor bewaring voldoende heeft gemotiveerd.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.