ECLI:NL:RBDHA:2023:1914

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 februari 2023
Publicatiedatum
20 februari 2023
Zaaknummer
22-4655
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 3 Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in jeugdzorg ondanks niet-ontvankelijkheid bezwaar

Eiser diende een aanvraag in voor een financiële tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg, waarbij hij slachtoffer was van ernstig fysiek, psychisch en seksueel geweld en dwangarbeid in meerdere instellingen tussen 1973 en 1988. Verweerder kende een bedrag van €5000 toe, het maximumbedrag volgens de regeling.

Eiser maakte bezwaar tegen de hoogte van het bedrag, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Eiser stelde dat hij de beschikking niet had ontvangen en dat de rechtsmiddelenclausule ontbrak. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat verweerder het besluit pas later per e-mail had toegezonden en de rechtsmiddelenclausule ontbrak.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde, maar liet de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit in stand, omdat het maximumbedrag van €5000 niet kan worden overschreden. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte informatie over rechtsmiddelen en termijnen en bevestigt dat ondanks procedurele fouten het materiële recht op het maximumbedrag niet wordt aangetast.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; verweerder moet griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/4655

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 februari 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: U. Tasdelen),
en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Ririassa).

Procesverloop

In het besluit van 12 november 2021 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek om een tegemoetkoming op basis van de Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in jeugdzorg toegewezen en eiser een bedrag van €5000,- toegekend.
In het besluit van 17 maart 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser heeft een aanvraag voor een tegemoetkoming op basis van de Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg (Tijdelijke regeling) ingediend. Hij vermeldt slachtoffer te zijn van ernstig fysiek, psychisch en seksueel geweld en dwangarbeid in meerdere verzorgingshuizen. Verweerder neemt over dat eiser tussen 1973 en 1988 als minderjarige slachtoffer is geweest van bovenmatig geweld terwijl hij onder de verantwoordelijkheid viel van de overheid in instellingen. Verweerder kent daarom op 12 november 2021 eiser een bedrag van €5000,- toe. Eiser is van mening dat een hoger bedrag in zijn geval gepast is en maakt daarom bij brief van 14 februari 2022 bezwaar.

Het bestreden besluit

2. Het bezwaarschrift is niet ontvankelijk omdat dit te laat is ingediend. Eiser heeft laten weten de beslissing op de aanvraag niet ontvangen te hebben en verweerder heeft dit besluit daarom op 14 december 2021 per e-mail toegestuurd. Op deze datum was het besluit bij eiser bekend. De termijn om bezwaar te maken eindigde daarom op 26 januari 2022. Het bezwaarschrift van eiser is op 16 februari 2022 ontvangen en is daarmee te laat ingediend. Eiser voert aan dat de rechtsmiddelenclausule in het besluit ontbrak. Aangezien sprake is van een vaststaand bedrag van €5000,- is de mogelijkheid van bezwaar niet opgenomen in de beslissing.
Wat stelt eiser in beroep?
3. In de beslissing op de aanvraag is op geen enkele manier aangegeven dat de geadresseerde hiertegen in bezwaar kan gaan en wat de termijn hiervoor is. De termijnoverschrijding is daarom verschoonbaar. Daarnaast is ook geen gehoor gegeven aan de hoorplicht. Verweerder moet het onderliggende geval wederom in beraad nemen. Eiser is slachtoffer geweest van een onrechtmatige overheidsdaad. Een bedrag van €50.000,- is in dit geval daarom passend.
Wat stelt verweerder in beroep?
4. De rechtsmiddelenclausule ontbrak inderdaad in het besluit op de aanvraag. Niet kan worden vastgesteld dat eiser reeds bekend was met zijn gemachtigde voordat de bezwaartermijn verstreken was. Verweerder had de bezwaartermijn daarom verschoonbaar moeten achten. Tegelijkertijd zou de beslissing op bezwaar hiermee dezelfde uitkomst hebben. Het maximumbedrag dat uitgekeerd kan worden is volgens artikel 3 van Pro de Tijdelijke regeling namelijk €5000,-. Het bezwaar is daarom alsnog niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het besluit vernietigen, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Niet in geschil is dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Nu het bestreden besluit dit miskent is het beroep hiertegen terecht ingesteld. Dat verweerder op andere gronden had kunnen besluiten dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk was maakt dit niet anders. Wel wordt door verweerder terecht naar voren gebracht dat het maximumbedrag volgens de Tijdelijke regeling €5000,- betreft. Dit leidt echter niet tot de gevolgtrekking dat de bezwaarde geen procesbelang heeft, maar dat het bezwaar niet kan slagen en (kennelijk) ongegrond is. Onder de omstandigheden in deze zaak heeft verweerder op goede grond en kunnen beslissen dat het horen in bezwaar achterwege kon blijven. [1] De rechtbank overweegt dat na vernietiging een heroverweging van het besluit in bezwaar niet kan leiden tot de hogere uitkering die eiser wenst. De rechtbank besluit daarom de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep wordt gegrond verklaard, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiser geen hogere uitkering krijgt.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt €837,- omdat het beroepschrift is ingediend door een professionele rechtshulpverlener. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €181,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. T. Verschoor, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht