ECLI:NL:RBDHA:2023:19146

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 december 2023
Publicatiedatum
7 december 2023
Zaaknummer
C/09/657689 / FT RK 23/901
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening ter voorkoming woningontruiming in minnelijk schuldenregeling

Op 30 november 2023 verzocht verzoeker de rechtbank om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet, waarbij ontruiming van zijn woning door verhuurder DHKH B.V. werd verboden. De ontruiming stond gepland op 6 december 2023. De rechtbank stelde bij tussenbeschikking al een tijdelijk verbod in.

Tijdens de zitting van 7 december 2023 werd vastgesteld dat sprake was van een bedreigende situatie door de dreigende ontruiming. Verzoeker had zich aangemeld voor schuldhulpverlening en stond onder beschermingsbewind, waardoor hij in staat werd gesteld het minnelijk traject voort te zetten. De rechtbank oordeelde dat de belangen van verzoeker zwaarder wegen dan die van DHKH, mits de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

De voorziening geldt voor zes maanden en vervalt zodra de uitspraak op het WSNP-verzoek in kracht van gewijsde is gegaan of het verzoek is ingetrokken. De schuldhulpverlener moet uiterlijk vier weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengen aan de rechtbank. Hiermee wordt verzoeker de mogelijkheid geboden om zijn schuldenregeling af te ronden zonder directe ontruiming.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de verhuurder om de woning te ontruimen voor zes maanden, zodat verzoeker het minnelijk traject kan voortzetten.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummer: C/09/657689 / FT RK 23/901
beschikking op grond van artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet van 7 december 2023
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
hierna: [verzoeker] ,
tegen
DHKH B.V.,
gevestigd te Zeist,
hierna: DHKH,
advocaat: mr. A.P. van Dijk.
Waar deze zaak over gaat
Op 6 december wilde DHKH de woning van [verzoeker] ontruimen. Hierdoor is voor [verzoeker] een bedreigende situatie ontstaan. [verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening uit te spreken, waarbij de ontruiming van zijn woning voor zes maanden wordt verboden. [verzoeker] is daardoor in de gelegenheid om het minnelijk traject af te ronden. De rechtbank wijst het verzoek toe en legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt informatie over het verloop van de procedure tot nu toe.

1.De procedure

1.1.
Op 30 november 2023 heeft [verzoeker] gevraagd om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet (Fw) Daarbij heeft [verzoeker] ook een WSNP-verzoek ingediend.
1.2.
Het verzoek houdt in dat DHKH als verhuurder wordt verboden om de woning aan het adres01, postcode01 en woonplaats01] te ontruimen. [verzoeker] huurt deze woning van DHKH. De ontruiming stond gepland op 6 december 2023.
1.3.
De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking van 1 december 2023 DHKH verboden de woning te ontruimen totdat op het verzoek van [verzoeker] een eindbeslissing is genomen.
1.4.
Mr. Van Dijk heeft op 6 december 2023 namens DHKH schriftelijk verweer ingediend.
1.5.
Het verzoek tot het afgeven van de voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 7 december 2023. Op deze zitting verschenen:
- [verzoeker] ,
- de heer M.A.T. Noordzij, schuldhulpverlener namens Noordzij Bewindvoerders,
- mevrouw [X], medewerkster van Noordzij Beschermingsbewind B.V.,
- de heer mr. A.P. van Dijk.

2.De beoordeling

2.1.
Bij een gedwongen ontruiming, de beëindiging van de levering van gas, water en/of elektriciteit, of de opzegging of ontbinding van een zorgovereenkomst, is sprake van een bedreigende situatie. De wet biedt in die gevallen de mogelijkheid om die bedreiging tijdelijk op te schorten, zodat [verzoeker] in staat is het minnelijke traject voort te zetten. Hij kan dan met zijn schuldeisers een regeling voor zijn schulden proberen te bereiken en wordt in die periode dan niet gehinderd door (executie)maatregelen. Voorwaarde is wel dat is gestart met het minnelijk traject.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van een bedreigende situatie. De woningontruiming was namelijk aangezegd tegen 6 december 2023.
2.3.
[verzoeker] heeft zich aangemeld voor schuldhulpverlening. De schuldhulpverlener is onder meer bezig met het verder in kaart brengen van de totale schuldenlast. De brieven ten behoeve van het minnelijk traject zijn daarom nog niet aan de schuldeisers verzonden. De inspanningen van de schuldhulpverlener, alsmede van de inmiddels aangestelde beschermingsbewindvoerder, zijn kennelijk ook gericht op het verder in evenwicht brengen en houden van inkomsten en uitgaven van [verzoeker] door het opstarten van budgetbeheer, alsmede op het creëren van rust voor [verzoeker] , waarbij mede kan worden ingezet op verdere gedragsverandering.
2.4.
De rechtbank is het met DHKH eens dat [verzoeker] zich vanaf aanvang van de huurovereenkomst als een slecht betalende huurder heeft getoond en te laat tot het inzicht is gekomen dat het zo niet langer kan. Uiteindelijk is [verzoeker] klaarblijkelijk wel tot dit inzicht gekomen. Hij heeft zich tot de schuldhulpverlening gewend en staat inmiddels onder beschermingsbewind. [verzoeker] heeft uiteraard belang bij het behoud van de woning, niet alleen om te kunnen beschikken over onderdak, maar ook om vanuit een stabiele woonsituatie verder aan een oplossing voor zijn schulden te werken. Door [verzoeker] en de schuldhulpverlener is ter terechtzitting verzekerd dat de huur voor de komende maanden (op tijd) zal worden betaald. Dit zou ertoe leiden dat de huurachterstand niet verder oploopt en het financieel nadeel voor DHKH niet groter wordt. Onder deze omstandigheden dienen naar het oordeel van de rechtbank de belangen van [verzoeker] zwaarder te wegen dan de belangen van DHKH. De rechtbank zal [verzoeker] dus in staat stellen om het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling te treffen. Dit onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen (op tijd) worden betaald. Het moratorium zal worden toegewezen als hierna vermeld.
2.5.
[verzoeker] heeft ook een WSNP-verzoek ingediend. Op het WSNP-verzoek kan nog niet worden beslist, omdat het minnelijke traject nog niet is afgerond. De wet schrijft voor dat de schuldhulpverlener uiterlijk vier weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt aan de rechtbank (artikel 287b lid 6 Fw). Na ontvangst van dit verslag en een compleet WSNP-verzoek zal de behandeling van dat verzoek worden ingepland.

3.De beslissing

De rechtbank:
  • verbiedt DHKH B.V. tot ontruiming van de woning van [verzoeker] op het [adres01, postcode 01, woonplaats01]] over te gaan;
  • bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat
  • bepaalt dat deze voorziening geldt totdat de uitspraak op het WSNP-verzoek in kracht van gewijsde is gegaan of dit verzoek is ingetrokken;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt na verloop van
zes maanden;
- bepaalt dat uiterlijk vier weken voor voornoemde datum door de schuldhulpverlener verslag zal worden uitgebracht als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw.
Dit is een beslissing van mr. R. Cats, rechter, in samenwerking met C. Groesbeek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2023.