Op 30 november 2023 verzocht verzoeker de rechtbank om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet, waarbij ontruiming van zijn woning door verhuurder DHKH B.V. werd verboden. De ontruiming stond gepland op 6 december 2023. De rechtbank stelde bij tussenbeschikking al een tijdelijk verbod in.
Tijdens de zitting van 7 december 2023 werd vastgesteld dat sprake was van een bedreigende situatie door de dreigende ontruiming. Verzoeker had zich aangemeld voor schuldhulpverlening en stond onder beschermingsbewind, waardoor hij in staat werd gesteld het minnelijk traject voort te zetten. De rechtbank oordeelde dat de belangen van verzoeker zwaarder wegen dan die van DHKH, mits de huurtermijnen tijdig worden voldaan.
De voorziening geldt voor zes maanden en vervalt zodra de uitspraak op het WSNP-verzoek in kracht van gewijsde is gegaan of het verzoek is ingetrokken. De schuldhulpverlener moet uiterlijk vier weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengen aan de rechtbank. Hiermee wordt verzoeker de mogelijkheid geboden om zijn schuldenregeling af te ronden zonder directe ontruiming.