De zaak betreft het beroep van een Oekraïense ontheemde tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming per 4 september 2023 te beëindigen. De eiser had op 31 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland en viel onder de tijdelijke beschermingsregeling op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
De staatssecretaris had eerder aangekondigd de tijdelijke bescherming te beëindigen omdat de eiser tot de facultatieve groep behoort, waarvoor de bescherming niet langer geldt na 4 september 2023. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 30 oktober 2023 waarin werd bevestigd dat de staatssecretaris bevoegd is om deze bescherming te beëindigen. De eiser bracht geen zienswijze in tegen het voornemen tot beëindiging.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is, omdat de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en de staatssecretaris binnen zijn bevoegdheid handelde. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.