Eiseres heeft zich op 1 februari 2022 gemeld bij het college voor hulp bij het huishouden. Het college gaf een advies op 11 februari 2022, waarna eiseres bezwaar maakte tegen het advies, dat niet-ontvankelijk werd verklaard. Op 18 maart 2022 diende eiseres een aanvraag in met het verzoek om een besluit te nemen. Na ingebrekestelling op 30 maart 2022 besloot het college op 5 april 2022 de aanvraag af te wijzen.
Het college stelde dat het besluit tijdig was genomen binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling en dat er geen andere aanvragen tussen 1 februari en 5 april 2022 waren. Eiseres betwistte dit en stelde dat de melding van 1 februari 2022 als aanvraag moest worden gezien en dat er een aanvraag van 28 maart 2022 was. De rechtbank oordeelde dat de melding van 1 februari 2022 geen aanvraag was en dat de aanvraag van 18 maart 2022 de enige geldige aanvraag was waarop het besluit van 5 april 2022 betrekking had.
De rechtbank concludeerde dat het college terecht geen dwangsom verschuldigd was omdat het binnen de wettelijke termijn had beslist. Ook was de ingebrekestelling prematuur omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.