ECLI:NL:RBDHA:2023:19433
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond: onterechte intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Eiser ontving vanaf 2016 een bijstandsuitkering en stond sinds 2018 ingeschreven op het adres van zijn zoon, waar hij bijstand ontving als alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het college een onderzoek naar vermeende samenwoning met zijn ex-echtgenote en het hebben van zwarte inkomsten. Dit leidde tot een besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering per 2 september 2021 en een daaropvolgend bestreden besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde.
De rechtbank beoordeelde of de ex-echtgenote haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, wat een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding zou opleveren. Uit het onderzoek bleek dat de ex-echtgenote regelmatig verbleef op het adres, maar onvoldoende bewijs bestond dat dit haar hoofdverblijf was. De verklaring van de ex-echtgenote ontbrak in het dossier en kon niet worden meegewogen.
De rechtbank concludeerde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de intrekking van de bijstandsuitkering daarom onterecht was. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd en herroepen.