ECLI:NL:RBDHA:2023:19437

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
11 december 2023
Zaaknummer
22/410
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Startdatum eigen bijdrage Wmo 2015 en vergoeding schade wegens redelijke termijnoverschrijding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de verweerder inzake de vaststelling van de ingangsdatum van zijn eigen bijdrage in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Verweerder baseerde de ingangsdatum op wisselende gegevens van de gemeente Leiden en stelde uiteindelijk 1 april 2021 vast als startdatum.

Eiser betoogde dat verweerder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel had geschonden door geen aanvullende informatie op te vragen bij de gemeente Leiden ondanks wisselende berichten. Ook vorderde hij vergoeding van kosten in de bezwaarfase en wettelijke rente over de eigen bijdragen van februari en maart 2021. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht afgaan op de gegevens van de gemeente en dat geen sprake was van een kennelijke fout. De vordering tot vergoeding van kosten werd afgewezen omdat het bezwaar niet tot herroeping van besluiten had geleid.

Verder verzocht eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de beroepsfase 5 maanden langer duurde dan redelijk is en veroordeelde de Staat tot betaling van €500. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/410

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),
en

het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder

(gemachtigden: C. Jansen en T. Meijer),
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2021 (primair besluit I) heeft verweerder de eigen bijdrage van eiser in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) vastgesteld op € 19,- euro per maand vanaf april 2021.
Bij besluit van 14 september 2021 (primair besluit II) heeft verweerder de ingangsdatum voor de eigen bijdrage van eiser gewijzigd naar februari 2021.
Bij besluit van 25 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair
besluit I niet-ontvankelijk en tegen primair besluit II ongegrond verklaard.
Bij besluit van 21 december 2021 (primair besluit III) heeft verweerder de ingangsdatum voor de eigen bijdrage van eiser gewijzigd naar april 2021.
Bij besluit van 7 januari 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het besluit van 25 oktober 2021 ingetrokken en het bezwaar van eiser tegen primair besluit I en II nietontvankelijk en tegen primair besluit III ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2023. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eiser heeft een driewielfiets in bruikleen die door verweerder vanuit de Wmo 2015 wordt betaald. Verweerder is voor de zorggegevens en de startdatum van de eigen bijdrage uitgegaan van gegevens van de gemeente Leiden.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het eerdere besluit op bezwaar van 25 oktober 2021 ingetrokken en het bezwaar van eiser tegen primair besluit I en II nietontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daartoe besloten omdat primair besluit I en II zijn ingetrokken en eiser daarom geen belang meer had bij een beoordeling van zijn bewaren daartegen. Daarnaast heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit III ongegrond verklaard. Verweerders besluitvorming berust op het standpunt dat verweerder voor het vaststellen van de eigen bijdrage afhankelijk is van de aangeleverde zorggegevens van de gemeente Leiden. De gemeente Leiden heeft verweerder op 12 mei 2021 een startbericht gestuurd met als ingangsdatum 20 maart 2021. Die startdatum is op 23 augustus 2021 door de gemeente Leiden gewijzigd in 1 februari 2021 en vervolgens op 30 november 2021 nogmaals gewijzigd in 31 maart 2021. Verweerder heeft daarom, na diverse wijzigingen, de ingangsdatum voor de eigen bijdrage bepaald op 1 april 2021. Bevestiging voor de juistheid van deze ingangsdatum ziet verweerder in de door eiser getekende overeenkomst met zorgleverancier Welzorg, waaruit blijkt dat eiser sinds 31 maart 2021 een driewielfiets in bruikleen heeft.
3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
3.1.
Eiser komt in beroep niet op tegen de vaststelling van de ingangsdatum voor de eigen bijdrage op 1 april 2021. De inhoudelijke juistheid van het bestreden besluit wordt door hem niet betwist. Hij betoogt dat verweerder bij de besluitvorming echter het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden, omdat verweerder geen informatie bij de gemeente Leiden heeft opgevraagd ondanks dat steeds wisselende berichten over de ingangsdatum werden ontvangen. Eiser betoogt dat verweerder eerst op grond van door hem aangeleverde informatie tot een juist besluit is gekomen. Hij maakt daarom aanspraak op vergoeding van de kosten die hij in de bezwaarfase heeft gemaakt en wettelijk rente over de aanvankelijk in rekening gebrachte eigen bijdragen over februari en maart 2021.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt uit het wettelijk systeem dat verweerder in het kader van de primaire besluitvorming in zake als deze in beginsel mag uitgaan van de door het zorgkantoor verstrekte gegevens over de verleende zorg [1] . De verantwoordelijkheid van verweerder is in dat stadium in zoverre beperkt tot het juist overnemen en verwerken van de verstrekte gegevens. Dit neemt evenwel niet weg dat een uit een gemotiveerde betwisting blijkende kennelijke fout van het zorgkantoor door verweerder moet worden geredresseerd.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen afgaan op de door de gemeente Leiden verstrekte gegevens. De omstandigheid dat de gemeente Leiden wisselende startdata aan verweerder heeft doorgegeven, brengt niet met zich mee dat de verstrekte informatie berust op een kennelijke fout. Verweerder heeft er in dit verband op mogen wijzen dat uit navraag bij de gemeente Leiden is gebleken dat men daar beschikte over een bruikleenovereenkomst tussen eiser en Welzorg met een andere ingangsdatum dan de bruikleenovereenkomst die eiser heeft overgelegd. De rechtbank volgt eiser niet voor zover hij betoogt dat verweerder de juiste ingangsdatum voor de eigen bijdrage louter heeft gebaseerd op de door hem overgelegde informatie. Verweerder heeft deze ingangsdatum immers vastgesteld met primair besluit III op basis van gegevens die waren verkregen van de gemeente Leiden en dat besluit in bezwaar gehandhaafd. Dat verweerder voorafgaand aan het bestreden besluit meerdere besluiten met wisselende ingangsdata voor de eigen bijdrage heeft genomen, is onvoldoende voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of onvoldoende is gemotiveerd.
3.4.
Ter zitting heeft eiser zijn beroepsgrond over de beweerdelijk verschuldigde wettelijke rente ingetrokken, zodat deze grond geen bespreking meer behoeft.
3.5.
Met betrekking tot het betoog dat eiser recht heeft op vergoeding van de kosten die hij in de bezwaarfase heeft gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt.
3.6.
Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb luidt: ‘De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.’
3.7.
In dit geval heeft het bezwaar niet geleid tot een herroeping van de primaire besluiten waartegen het (al dan niet van rechtswege) was gericht. Het bezwaar voor zover gericht tegen de primaire besluiten I en II is immers niet-ontvankelijk verklaard omdat deze besluiten waren ingetrokken en het bezwaar gericht tegen primair besluit III is ongegrond verklaard. Er bestaat daarom geen recht op vergoeding van de gemaakte kosten op de voet van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.1.
De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door verweerder is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg (eind)uitspraak heeft gedaan. De schadevergoeding bedraagt
€ 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond.
4.2.
Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre een overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan verweerder respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid ten laste van verweerder respectievelijk de Staat worden uitgesproken. De regel die daarbij geldt, is dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.
4.3.
De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 14 juli 2021, de datum waarop eiser bezwaar heeft gemaakt tegen primair besluit I. Dit betekent dat de redelijke termijn op 14 juli 2023 verliep. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Gelet op de datum van deze uitspraak (5 december 2023) is de redelijke termijn overschreden met (afgerond naar boven) 5 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding voor immateriële schade van € 500,-.
4.4.
De behandeling door de rechtbank van het beroep tegen het bestreden besluit van
7 januari 2022 heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 13 januari 2022 tot de uitspraak op 5 december 2023 afgerond naar boven 23 maanden geduurd. Dit is 5 maanden langer dan de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Hieruit volgt dat de overschrijding van 5 maanden aan de rechtbank is toe te rekenen. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,-.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan eiser tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2023.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6880.