Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:19456

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 december 2023
Publicatiedatum
12 december 2023
Zaaknummer
NL23.29404
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a VwVreemdelingenwet 2000EU HandvestVluchtelingenverdragEVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Italië ongegrond verklaard

Eiser, van Iraakse nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 8 september 2023 niet-ontvankelijk is verklaard omdat eiser internationale bescherming geniet in Italië. Eiser betwist deze niet-ontvankelijkverklaring en voert aan dat hij niet terug kan naar Italië vanwege problemen met zijn broer en een Italiaanse partner, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is.

De rechtbank heeft op 22 november 2023 de zaak behandeld en beoordeelt of de staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat eiser terug kan naar Italië. De rechtbank toetst dit aan de hand van relevante jurisprudentie van het HvJEU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel geldt, waarbij wordt aangenomen dat Italië internationale bescherming biedt conform het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat terugkeer tot zeer verregaande materiële deprivatie zou leiden. De door eiser overgelegde Italiaanse circular letters en zijn persoonlijke situatie (verblijfsvergunning sinds 2017, woonruimte en werk in Rome) ondersteunen dit niet.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiser kan binnen een week na verzending van het vonnis hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.29404

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Inleiding

Bij besluit van 8 september 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Murat. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming besluit

Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij weliswaar internationale bescherming geniet in Italië, maar dat hij daar te vrezen heeft voor zijn broer en een Italiaanse partner vanwege geldproblemen. Bij het bestreden besluit van 8 september 2023 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw [1] , omdat hij internationale bescherming in Italië heeft.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat eiser terug kan naar Italië. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser, de rechtspraak van het HvJEU [2] en de rechtspraak van de Afdeling [3] .
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het geschil
3. De staatssecretaris heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser internationale bescherming heeft in Italië en dat niet gebleken is dat hij zich niet kan wenden tot de Italiaanse autoriteiten voor bescherming inzake de problemen met zijn broer en een Italiaanse partner. Verder is niet gebleken dat niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië.
4. Eiser stelt dat hij niet terug kan naar Italië en dat er niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter onderbouwing wijst hij op de circular letter van Italië inzake Dublinclaimanten en stelt dat ook hij geen opvang zal krijgen in Italië. Daarnaast is in beroep een circular letter van Italië overgelegd met betrekking tot statushouders, waaruit volgt dat eiser geen opvang zal krijgen.
Toetsingskader
5. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de staatssecretaris er in beginsel van uitgaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming heeft, in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM [4] . Dit is alleen anders als de vreemdeling aannemelijk kan maken dat terugkeer tot gevolg heeft dat hij vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie [5] . De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 juni 2022 [6] geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat statushouders bij terugkeer naar Italië in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen. In haar uitspraak van 14 november 2023 [7] heeft de Afdeling dit oordeel nogmaals bevestigd. Het is vervolgens aan eiser om aannemelijk te maken dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
Kan uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris terecht tot de conclusie is gekomen dat uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dat kader is het volgende van belang.
7. Eiser voert aan dat ten aanzien van Italië voor de groep Dublinclaimanten niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 [8] . Daarom kan ook niet zonder meer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië voor de groep statushouders. Ter onderbouwing heeft eiser de circular letter van 7 augustus 2023 overgelegd, waaruit blijkt dat statushouders in sommige gevallen de opvang eerder moeten verlaten en soms zelfs voordat zij hun verblijfsvergunning hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor statushouders. Immers, dat voor de groep Dublinclaimanten niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan betekent niet automatisch dat dit ook voor de groep statushouders geldt. De circular letter van 7 augustus 2023 is slechts in het Italiaans overgelegd, maar uit de overgelegde Nederlandse samenvatting blijkt slechts dat asielzoekers die een status hebben ontvangen in sommige gevallen eerder de opvang moeten verlaten en soms zelfs voordat zij hun verblijfsvergunning hebben ontvangen. Hieruit blijkt echter niet dat statushouders die reeds in het bezit zijn van een verblijfsvergunning en terugkeren naar Italië in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen. Bovendien blijkt uit de verklaringen van eiser dat hij sinds juni 2017 een verblijfsvergunning heeft, dat hij woonruimte had in Rome en dat hij werk had bij een bedrijf. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiser voert aan dat hij geen opvang zal krijgen bij terugkeer naar Italië. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij als statushouder recht zou hebben op opvang. Eiser is immers al jaren lang in het bezit van een verblijfsvergunning en heeft ook in Rome gewoond en gewerkt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Remerie, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.HvJEU 19 maart 2019, Ibrahim (C-297/17).
6.AbRS, 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788.
7.AbRS, 14 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4214.
8.AbRS 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654.