De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd gerechtvaardigd door het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken of belemmeren.
Eiser betoogde dat een lichter middel volstaat omdat hij bij zijn vriendin kan verblijven, maar de rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende is gezien zijn eerdere onttrekkingen aan toezicht en het grote risico op herhaling. Verweerder toonde voortvarendheid door na annulering van een vlucht direct een alternatieve vlucht naar Bolivia aan te vragen, waarover eiser een geldig paspoort bezit.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en dat het beroep ongegrond is. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.