ECLI:NL:RBDHA:2023:19494
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige na spoedplaatsing wegens zorgelijke thuissituatie
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die met spoed was geplaatst vanwege acute zorgen over de moeder. De moeder was opgenomen na een incident waarbij zij mogelijk zelfmedicatie had toegepast, wat leidde tot een spoedplaatsing van het kind bij familie.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de acute zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder zijn afgenomen, maar dat er nog steeds zorgen bestaan over haar persoonlijke problematiek, de langdurige strijd tussen ouders en de opvoedsituatie. De moeder is inmiddels thuis en stelt dat zij de opvoeding weer kan overnemen. De vader stemt in met de verlenging van de uithuisplaatsing en benadrukt de noodzaak van neutraal onderzoek.
De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk blijft om de hulpverlening te kunnen opstarten en voortzetten, en dat een directe thuisplaatsing op dit moment niet in het belang van het kind is. De machtiging wordt daarom voor een korte duur van drie weken verleend, met de verwachting dat het kind daarna weer thuis kan wonen. De kinderrechter benadrukt het belang van het hervatten van de schoolgang en een actieve rol van de jeugdbeschermer.
Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor drie weken verlengd om noodzakelijke hulpverlening op te starten, waarna thuisplaatsing kan volgen.