ECLI:NL:RBDHA:2023:19632
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Oostenrijk op grond van Dublinverordening
Verzoeker heeft tegen het besluit van de staatssecretaris beroep ingesteld omdat zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen met het argument dat Oostenrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Verzoeker stelde in verzet dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met de zwangerschap van zijn partner, wat volgens hem een ex nunc onderzoek vereist. De staatssecretaris betoogde dat deze informatie tijdig had moeten worden ingebracht en dat de Dublinverordening niet bedoeld is voor reguliere gezinshereniging.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de rechtbank terecht tot een kennelijk oordeel kwam en dat de zwangerschap geen aanleiding geeft tot twijfel aan het oordeel. Het verzet heeft geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Oostenrijk wordt afgewezen.