De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die ervan werd verdacht op 28 april 2021 in een Extra Beveiligde Kamer (EBK) van GGZ Delfland te Delft brand te hebben willen stichten met een aansteker en een deken. De rechtbank oordeelde dat de poging tot brandstichting niet wettig en overtuigend bewezen kon worden omdat de deken brandwerend was en geen vlam vatte, waardoor sprake was van een absoluut ondeugdelijke poging.
Wel werd vastgesteld dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk de brandwerende deken vernielde door er met een brandende aansteker schroeiplekken op te maken. De verdachte had de aansteker bewust meegenomen en geprobeerd de deken in brand te steken, wat door foto’s en verklaringen werd bevestigd.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder een psychische stoornis die zijn toerekeningsvatbaarheid verminderde, en het feit dat het nu beter met hem gaat. De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van vijf dagen met aftrek van voorarrest. De verdachte werd vrijgesproken van de poging brandstichting.