ECLI:NL:RBDHA:2023:19949
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op tijdelijke bescherming voor gezinslid Oekraïense burger bevestigd
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn recht op tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023. Eiser stelde dat hij als gezinslid van een Oekraïense burger aanspraak maakte op tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
Eiser voerde aan dat hij een duurzame relatie had met een Oekraïense vrouw en dat zij samenwoonden in Oekraïne en Nederland. Ter onderbouwing overhandigde hij foto’s en een kopie van het paspoort van zijn partner. De rechtbank oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende bewijs vormden dat de relatie vóór 24 februari 2022 bestond, zoals vereist volgens artikel 2, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit.
Verder bevestigde de rechtbank de bevoegdheid van de staatssecretaris om de tijdelijke bescherming te beëindigen voor de facultatieve groep, waaronder eiser valt, en oordeelde dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet is geschonden. Eisers beroep op gelijke behandeling met andere ontheemden werd verworpen omdat geen concrete toezeggingen waren gedaan die een gegronde verwachting rechtvaardigen.
Ten slotte wees de rechtbank het asielgerelateerde betoog van eiser af omdat dit niet in deze procedure aan de orde was en verwees naar de lopende asielprocedure. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming is ongegrond verklaard.