ECLI:NL:RBDHA:2023:20018
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid ophouding op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Eiser maakte bezwaar tegen zijn ophouding op 6 november 2023, omdat hij meende dat deze onrechtmatig was aangezien hij rechtmatig verblijf had op grond van een voorlopige voorziening. De staatssecretaris hield eiser aan voor nader onderzoek naar zijn verblijfsrechtelijke positie, waarbij op dat moment nog niet bekend was dat de voorlopige voorziening was toegewezen.
De rechtbank overwoog dat de ophouding rechtmatig was omdat deze plaatsvond op grond van artikel 50, derde lid, Vreemdelingenwet 2000, met als doel nader onderzoek te doen naar de identiteit en verblijfsrechtelijke status van eiser. De staatssecretaris mocht enige tijd nemen voor dit onderzoek, en het feit dat de voorlopige voorziening nog niet bekend was bij aanvang van de ophouding, rechtvaardigde de maatregel.
Na het onderzoek werd besloten geen bewaring op te leggen omdat eiser voldoende middelen van bestaan had en beschikte over een ticket om Nederland te verlaten. De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoefde te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding is ongegrond verklaard en de ophouding is rechtmatig bevonden.