ECLI:NL:RBDHA:2023:20027
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming van een derdelander uit Oekraïne
Eiser, een derdelander uit Oekraïne, maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming, verleend op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, te beëindigen per 4 september 2023. Tevens werd eiser opgedragen Nederland binnen vier weken te verlaten en terug te keren naar India.
De rechtbank behandelde het beroep op 21 november 2023 en beoordeelde de bevoegdheid van de staatssecretaris, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank sloot zich aan bij een eerdere uitspraak van 30 oktober 2023 waarin werd geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd was de tijdelijke bescherming van de facultatieve groep, waaronder eiser valt, te beëindigen.
Eiser voerde aan dat er sprake was van een toezegging dat zijn tijdelijke bescherming langer zou duren en dat de beëindiging in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank verwierp deze gronden omdat eiser geen ondubbelzinnige toezegging aannemelijk maakte en onvoldoende onderbouwing gaf voor ongelijke behandeling.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming is ongegrond verklaard.