ECLI:NL:RBDHA:2023:20079
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening inzake afwijzing verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen middels een besluit van 13 juni 2022. Tevens is tegen verzoeker een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft op 4 augustus 2022 op het bezwaar beslist, waarna het bezwaar niet langer aanhangig was. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar binnen de daarvoor geldende termijn. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is een verzoek om voorlopige voorziening alleen ontvankelijk indien er een bezwaar of beroep aanhangig is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is omdat er geen bezwaar of beroep meer aanhangig is. Een verzoek om voorlopige voorziening kan ook niet worden aangemerkt als een verzoek hangende beroep, omdat de beroepstermijn is verstreken. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en er is geen rechtsmiddel tegen mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aanhangig bezwaar of beroep.