ECLI:NL:RBDHA:2023:20133

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 december 2023
Publicatiedatum
19 december 2023
Zaaknummer
NL23.33084
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding griffierecht bij niet-tijdig beslissen machtiging voorlopig verblijf nareis

Verzoeker stelde beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis. De staatssecretaris heeft de aanvraag vervolgens alsnog ingewilligd, waardoor het beroep gegrond werd verklaard. Verzoeker trok het beroep in onder de voorwaarde dat de proceskosten en het griffierecht worden vergoed.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de proceskosten voor een bedrag van €418,50 reeds bereid was te vergoeden. Omdat het griffierecht nog niet was besproken, bepaalde de rechtbank dat ook dit bedrag van €184 door de staatssecretaris moet worden vergoed. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op basis van artikel 8:54 Awb Pro.

De beslissing bevestigt het recht van verzoeker op vergoeding van gemaakte kosten bij niet tijdig beslissen door het bestuursorgaan en benadrukt het belang van tijdige besluitvorming in vreemdelingenzaken.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €184.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33084

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. B.W.C. van Geet),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 18 oktober 2023 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag van 1 juni 2023 voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor [naam].
Bij besluit van 8 november 2023 heeft verweerder de aanvraag ingewilligd.
Verzoeker heeft desgevraagd verklaard het beroep alleen te willen intrekken indien verweerder de proceskosten en het betaalde griffierecht voldoet.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingewilligd, is verweerder geheel aan het beroep van verzoeker tegemoetgekomen. Het beroep is kennelijk gegrond.
3. In zijn bericht van 29 november 2023 heeft verweerder aangegeven bereid te zijn de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 418,50 te vergoeden. Er is voor de rechtbank geen aanleiding om zich alsnog uit te laten over de vergoeding van de proceskosten.
4. Verweerder heeft zich in zijn bericht van 29 november 2023 niet uitgelaten over het door eiser betaalde griffierecht. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184 moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184 (honderdvierentachtig euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.